Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Vertel mij nu 'is,« zo begon Sigyn,

»Wie toch je vader is, die je niet mocht

Verklappen indertijd.« — Weer aarzelde

'En poosje Bragi, doch 'en blik in dat

Grijsblauw, zacht oog, vol ernst en goede trouw,

Deed schuchter Wodan's naam z'n mond ontglippen.

Als voor de Godheid zelve glansde 'en trek

Van deemoed over de oude rimpels heen

Bij 't vrouwtje: »W odan !« prevelde zij stil,

De handen, trillend van dë ouderdom,

Saamvouwend. Toen: «Vandaar die gave dus

Om met de zang een ieder op te beuren!« —

Mischien, maar moeder zelf zingt ook zo mooi

En 'k leerde licht als 't vinkje 't lied in 't nest.« —

»Maar, kind," zei de oude, «stellig ben je dan

Voor hoger noch bestemd dan voor ons dorp,

Het schaamle; zal mischien je hemeldroom

Noch werklikheid gaan worden en vereend

Met je Walkyre zweef je in 't eindloos licht« —

Doch Bragi zweeg: niet zij blonk in z'n oog,

De vuurge Gerda deed hem naar de kruik

Met zware gerstedrank, herhaaldlik grijpen,

En in de doezel won z'n hartstocht aan.

Toch was er iets, dat hem verhinderde

Dat mingeheim te zeggen aan die vrouw

En dommelstarend in het vuur, vergat

Sluiten