Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht aan hunne gelukkige, gezamenlijk-doorgebrachte kinderjaren, —, aan hun eerst volwassen zijn, toen ze van elkander in onwil gescheiden waren-, hij boos om wat hij een gril in haar noemde; zij in hem teleurgesteld om zijn niet waardeeren van haar eerlijke levensopvatting; — en aan hetgeen daarop gevolgd was: hun uiteengaan voor goed door haar opnieuw weigeren van zijn hand, die hij haar ditmaal toch ernstig had geboden, maar die zij niet aannemen kon omdat zij zijn karakter niet genoeg kende; — eindelijk aan de toen gekomen uiterlijke hereeniging, door die groote smart om het verlies van haar vader, die zij te samen hadden doorgeleden, — die hen tot elkander had gebracht, gelouterd door den ernst van het leven.

En zij betreurde het, bitterder dan ooit te voren, dat die hereeniging niet meer dan een uiterlijke was geworden, dat hij van haar zou gaan nu, vóórdat zij hem gezegd had hoe hare meening over hem was veranderd, hoe zij hem had leeren kennen thans van dag tot dag, in zorgen en moeite en plichtsbetrachting, hoe zij het wist nu dat hij hare achting, haar vriendschap, hare liefde waardig was.

Ja haar liefde ! — Nu eindelijk begreep zij zich

Sluiten