Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemd, omdat Julie nu weer thuis is," dacht zij, — en overlegde heel vlug in hare hersenen: „Zoodra hij een beetje sterker is moet hij het dus toch maar weten van haar engagement, hoe eer hoe beter."

„Is je hoofdpijn over; heb je van nacht kunnen slapen?" vroeg zij, haast werktuigelijk.

„O ja, dankje; dat ging nog al; — Heb je een oogenblik den tijd?"

Want hij was voornemens in de allereerste plaats met haar over Julie te spreken, — die hem immers gezegd had hoe zij hare zuster reeds in haar vertrouwen genomen had. — Zij echter schreef die vraag toe aan zijn verwondering over haar lang wegblijven dien geheelen morgen.

„Welzeker; ik heb niets bijzonders meer te doen, antwoordde zij. — „Van ochtend moest ik mama, die wat zenuwachtig en opgewonden was, voortdurend gezelschap houden; daardoor kon ik niet vroeger komen om eens naar je te kijken. Maar zij slaapt nu rustig en staat eerst tegen het eten op. — Je hebt mij toch niet noodig gehad?"

„O neen volstrekt niet; ik had bovendien óók gezelschap, zeide hij met een ondeugend glimlachje van verstandhouding. — „Kan je niet raden wie?"

LEVENS-ERNST. T 1

1 .*»

Sluiten