Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeren naar hier; en naar ginds, het hooge huis, het blanke baken in den nacht.

VOCE. Ga — Ik wil hier bemijmeren de vreemde dingen die geschieden. Want vréémd is dit alles . . . Themena gaat heen. Zij gaat gedurende de eenzame mijmering van Voce naar de schare van knapen en maagden.

VOCE, alleen gebleven:

Wat is 't dat in ons drijft; die vreemde macht,

welks wezen Themena en de velen met redenen omkleên —• Mij 't is of lacht naar den schemergloed opziend

dit laatste licht, om hun kinderlijk spelen.

Redenen, redenen — het zijn gewaden waarmee de mensch zijn vreemd verlangen tooit... zijn overwegen, wat hem wel zal schaden,

wat hem zal baten, —- 't Wezen kent hij nooit...

Hij blijft eenige oogenblikken staren. Intusschen is Themena met eenige der kloekste knapen weggegaan, weer de vlakte in, en verdwijnt weldra. De andere knapen en de maagden naderen Voce.

VIJFDE TOONEEL Voce, Knapen en Maagden.

EERSTE KNAAP.Voce! Stem van onze verlangens! Wat drijft ons? Zing het ons, zeg het ons! De vaderen hebben geleerd, dat de vlakte de wijze woon is der menschen — Zij hebben ze ons bereid ...

TWEEDE KNAAP. Maar hunne akkers verdorden. Want de hemel bleef strak als hun onbewogen gemoederen ...

DERDE KNAAP. Doch het woud is nutteloos, zeiden ze — Van het Woud toch is in géén geval heil te hopen — Dat leerden zij. Want de bodem is rotsig, en de levenwekkende stralen der zon zijn schaarsch ...

EERSTE KNAAP. Zóó zeiden zij...

VOCE. Gewis .... Maar toch .... hun wijsheid heeft gefaald ...

Sluiten