Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADEL, (klemt, op del), z. nw., m.. = (Kruidkunde) Ornithopus sativus, serradelle, fara. Papill..

Ook citadel.

A|D)VENANT, voorz. en bijw. — Z. Navenant.

ADVENT, z. nw., m.. — Z. Wdb.

Spr. : De advent is de boomenplanter.

ADjVOCAAT, z. nw., m.. — Z. Wdb.

Spr. : Spreken, lezen, praten gelijk een advocaat. Liegen gelijk een advocaat. Zoo geleerd als een advocaat. Ge zult winnen zegt de advocaat, en hij slaat op zijtien zak, in zake van processen die zeer twijfelachtig zijn. Wie weet hoe een advocaat in den Hemel komt, hoe een koe 'nen haas vangt. Hij vloog er in gelijk een advocaat in de Helle, natuurlijk, rap, gemakkelijk.

—= Iemand die fel praten kan. Gij zijt een advocaat!

AF, bijw. — Zeer gewoon is het gebruik van dit woord voor van achter hier, daar, er, waar, nievers,

ievers. D. Ik heb er geen woord af vernoemd. Waar spreekt gij af ?

Die wat geleerd zijn, zeggen dikwijls van. — Gep. w. : Af of bij. Ik vertel het zonder er iets af of bij te doen, juist gelijk het is. Op en af. De ziekte gaat op en af, zij staat niet. Af noch

aan. De zaak gaat noch af noch aan, zij vordert niet.

— Van eersten af, van eerst af, van 't eerste oogenblik. D. Ik was het hier van eersten af goed gewoon.

— Met af is eene macht onvolledige uitdrukkingen. Ik ben af = zeer vermoeid; (in het spel) afgespeeld. Het spel is af = geëindigd ; de spoel is af = afgewonden ; hei bier is af — afgeloopen ; van iets of iemand af zijn = er van ontslagen zijn. Er af kunnen (mogen, moeten), sprekende van eenige uitgave. Wij gaan eene pint pakken, er kan eene af. Wat is dat, honderd frank ? Het mag er af bij dien vent, hij is

zoo rijk als de zee diep is, enz..

— Ik wil er af zijn, zegt men om aan te duiden dat men niet heel zeker is van eene zaak, eenen naam, een bepaald cijfer. Het kan zes maand geleden zijn of zeven, ik wil er af zijn.

— Af wordt, als voorzetsel, op enkele plaatsen door iedereen, en overal door veel kinderen voor van gebezigd. Hij komt af het Krekelhoeksken. Gij zijt af den boom gevallen.

— Met af maken wij zeer veel samengestelde werkw. Het beteekent dan het overtreffen, iemand afzingen, afkaarten; of het voltrekken, afboken, afdorschen; of het winnen, afloten af tritsen) of het lang duren, en dan zijn zij van iet of wat voorafgegaan, zij hebben wat afgepraat.

Menige worden enkel in het verleden, deelwoord met komen gebezigd, wat dan geldt voor afkomen met het tegenwoordig deelwoord, afgereden komen, rijdende afkomen.

AFBAKELEN, werkw., overg.. = Afbakenen. Eene straat afbakelen.

AFBALIËN, werkw., overg.. — Met eene balie afsluiten. Eenen weg afbaliën.

AFBATTEREN, werkw., overg.. = Afrossen. Ze hebben dezen nacht iemand afgebatterd, dat hij moord en brand riep.

Ook afboefen, afborstelen, afdekken, afdorschen, afdroogen, af gutsen, af kt etsen, afkneuvelen, af knotsen.

af matsen, afpekken, af poetsen, afpreuvelen, aframmelen, afroefelen, afsmeren, aftaffelen, aftakelen, aftoebakken. aftoefen, aftoepen, aftorren, aftouteren, af trenzen, aftroeven, aftukken.

AFBATTERING, z. nw., v.. = Afranseling. Eene afbattering krijgen.

Ook afborsteling, afdekking, afdorsching, afdrooging, afkletsing, afmatsing, afpekking, afroefeling, aftaffeling, aftakeling, aftoefing. aftoeping, aftoutering, aftrenzing, a,'troeving, aftukking.

AFBEE(DE)N, werkw., overg.. = Afdingen C. D. en R. afbieden. Ik bood drij frank af en zoo kreeg ik dien hoed voor zeven frank.

__ Meer bieden. C. Denlaatsten keer bood ik hem af en het huis bleef'aan mij.

AFBEENDEREN, AFBEENEN,werkw., overg.. — Afleggen. V. en T. afbeenen. Ik heb vandaag al zeven uren afgebeend. Een brievenbode heeft veel

weg af te beenderen.

Meest afbeenen.

AFBEGGELEN, werkw., overg.. = Afloopen, afdraven, afdretsen. Om die stof te koopen heb ik heel de stad afgebeggeld en nog heb ik ze niet gevonden.

AFBIEREN , werkw., overg.. — (Brouwer) De vaten afbieren, ze, na het gisten, met bier afwasschen. Den gist afbieren, het bier van den gist gieten.

AFBIJTEN, werkw., overg.. = Uitstaan, lijden. C. R. Die naar Argentina gaan, hebben lang veel af te bijten.

— Bitsig antwoorden. Als zijne moeder hem iets

gebiedt, bijt hij haar altijd af.

AFBINNEN, werkw., overg.. — (Wever) Eene roede af binnen, een koordeken in de plaats van eene roede steken en dat dan samenbinden. Dat doet de

wever, b. v. als hij een stuk afboomt.

— (Schipper) Het zeil af binnen, het zeil achteruithalen en reven. Als het hard waait, binnen de schippers het zeil af.

—= Met riet, stroo enz. afzetten, bedekken. De kanten der logies worden bij de steenbakkers met riet of gerst afgebonnen.

AFBLAUWEN, werkw., overg.. = Vereffenen, op zijne plooi brengen, aplanir, gezeid van moeilijke, lastige zaken. Ik zal het wel zien af te blauwen, dat die vijandschap in die familie niet blijve bestaan.

Ook af spinnen.

AFBLOKKEN, werkw., overg.. — (Vlas) Het vlas af blokken, in blokken leggen of splitsen. Z. Blok.

AFBOEFEN, werkw., overg.. — Z. Afbattercn.

AFBOEGEN, werkw., onoverg., (hebben). = (Schipper) Bij een ongunstigen wind een eindje tegen

Sluiten