Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEBROSSEN, werkw., overg = .Bemorsen, bevuilen in 't eten. S. bebrosselen. De kleine kinderen hebrossen hun eigen als zij eten.

BECIJFEREN, werkw., overg == Foppen bedriegen. Gij hebt u voor twee frank laten becijferen.

BED, BEDDE, z, nw., o — Z. Wdb.,

Spr. : Hij heeft zijn tong in zijn bedde laten liggen, tegen 'nen mensch, meest tegen een kind, als zij niet spreken. Iemand van 't oud bedde, van den ouden eed, van de goede soort. Op zijn bed trouwen, in de laatste uur trouwen, gewoonlijk om een ongeoorloofden toestand te regelen. Zijn bed maken , uitgestrekt op het ijs vallen. levers zijn bed bij maken, gedurig bewaken. Van 't bed op 'tstroo geraken, achteruitgaan.

— = Gereed gelegde bedding van eeneri kasseiweg.

— = Vlies dat bij merriën en koeien afkomt na het veulenen of het kalven. C. R.

— -Achterste deel der lijfmoeder dat, bij de verlossing, soms uitpuilt.

— Beddeken over, in het hinkelspel, uitroep der gezellen waardoor besproken wordt dat de spelers van het een bed in het ander moeten springen.

BEDANT, bijv., nw = Bij de hand, handig, neerstig. Een bedant meisken.

BEDANKEN, werkw., overg . — In de spr. : Steekt u met uwen kop in 't stroo en bedankt dc wereld, geldt voor : zijt ge niet beschaamd ? en wordt gezeid tegen iemand die eene groote onnoozelheid of dom¬

migheid doet of zegt.

BEDANK OU, z. nw.. m — Ik kreeg zelfs nog geenen bedank ou. V. bedankje.

BEDDEBAK, z. nw., m = Bedstede, bois de Ut. C. D.

Ook beddekoets.

BEDEENEN , bijw., = Seffens aanstonds, meteenen. C. D. R. Wij gaan bedeenen vertrekken.

BEDEISTEREN, werkw., overg.. = Betrappelen, bevuilen. D. S. Bij denverkoop is heel de akker bedeisterd.

BEDELAS. z.

Bedelaarster.

BEDERFELING, z. nw., m.. = Vertroeteld kind, jongen of meisje. D. bederveling en bedorveling. K.

Ook bederveling.

BEDERVELING, z. nw., m.. — Z. Bederfeling. S. K.

BEDIED, z, nw,, o..= Macht, gezag. De knecht speelt meester bij zijn bazin : 't staat er al onder zijn bedied. S. 't Is een man van bedied.

Z. Verdam.

verg.

Beduiden. C.

BEDDEDINGEN, z. nw., o

— Beddegoed. ■ Beddegoed.

BEDDEGERIEF, z. nw. o

Zuidned. zegt V

BEDDEKOETS, z. nw. vr. — Z. Beddebak. V.S.R.

Ook koets alleen, dat V. als gewestelijk aanhaalt.

BEDDESTIJL. z. nw., m - (Timmerm.) Een van de vier hoekstijlen der bedstede.

BEDDEZEEKER, z. nw., m = Beddepisser, dikwijls als spotnaam gebezigd.

C. beddezeiker.

BEDEE DE)N, werkw., overg. = Beduiden.

Z. bedieden dat meer gebruikt wordt.

BEDEELEN, werkw., overg. Met overleg verdeelen, al deelende overleggen om toe te komen. T. Ge moet de spijzen zoo bedeelen dat iedereen wat heeft.

Gewest, zegt V..

BEDEEMEN, BEDEEMES, BEDEEMEST,

BEDIE DE N, werkw.

D. K.

Z. Bedieden, bij Verdam.

V. noemt het verouderd en gewest..

BEDIEDENIS, z. nw., vr.. = Beteekenis. K. signifcatio.

Z. Bediedenisse, bij Verdam.

BEDIEDSEL, z. nw., o.. == Beteekenis. K. significatio. Hij heeft gezeid : ik kan u missen, en het bediedsel daarvan is dat gij uw bediening kwijt zijt.

BEDIELEN, BEDILLEN, werkw., overg.. = Bedotten, foppen, bedriegen. Ik zie uit mijn I oogen, ge zult mij niet bedielen.

Z. Verdam ; bedullcn?

BEDIENEN. werkw , overg.. — De laatste HH. Sacramenten toedienen. C. De weduwe van den koster is bediend.

Meer berechten en soms verzekeren.

BEDIETSEN, werkw., overg., — Bedriegen, verpoetsen. Zijt zoo slim als ge wilt, ge zult mij niet bedietsen.

BEDIJ;E N, werkw., onov. (hebben). — Dijen , vermeerderen , vruchtbaar zijn. D. bedijgen. Onrechtveerdig goed bedijt niet.

Ook betijen en gedijen.

BEDILLEN, werkw., overg

BEDINKELIJK, bijv., nw, is in een bedinkelijken staat.

BEDINKEN, werkw., overg

Z. Bedielen. Bedenkelijk. Hij

=Bedenken.

BEDODDEN, BEDODDEREN, werkw., overg.. = Misleiden , bedotten, bijz. van eene jonge dochter. C. T. R. K. imponere alicui.

BEDOEN, werkw., overg.. = Bedekken, bezetten, beleggen. D. De metser bedoet de muren met moortel.

BEDOENING, z. nw., vr.. Handel, bedrijf. Die winkel is een goede bedoening.

Sluiten