Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEGGEL. z. nw., m.. — Z. Begel.

BEGGELAS, z. nw., vr.. — Z. Begelas.

BEGGELEER (zware e), z. nw., m.. — Z. Begeleer.

BEGGELEN, werkw., onov.. — Z. Begelen.

BEGINNEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Begint eens, zegt men dreigender, uitdagender wijze, voor durft eens. Ge dreegt mij te slagen, maar begint eens.

— Dat is niet begost, dat is niets genaderd, dat helpt niet.

Spr. : We zullen eens gaan beginnen, zei ie vos, en hij had er al zeven binnen , op iemand die reeds veel geëten heeft en nog eene andere spijs aanvat.

BEGIPSEN, werkw., overg.. = Gispende besproeien. D. begispen. De straatjongens vinden hun vermaak in malkander te begipsen.

BEGOED, bijv. nw.. = Die goederen bezit, rijk. C. D. Die menschen zijn niet genoeg begoed, om dat hof te koopen.

BEGRIJP, z. nw., o.. = Verstand, vermogen om te begrijpen. C. D. S. Dat kind heeft nog geen begrijp van rekenen.

BEGRIJPELIJK, bijv. nw., = Genegen om te onderbreken en op iemands woorden te vitten.

BEGRIJPEN, werkw., overg.. — Iemand begrijpen, iemand in de rede vallen en op zijne woorden vitten.

Z. Verd. 716.

BEGRIJPER, z. nw., m.. = Onderbreker en vitter op eens anders woorden.

Z. Begriper bij Verdam.

BEGROESD , bijv. nw.. -- Met gras bewassen.

C. S. Een begroesd plein.

BEGUCHELEN, werkw., overg.. = Besteken, beramen. Wat staan die twee deugnieten daar te beguchelen ?

B(EH)AALLIJK, bijv. nw.. = Besmettelijk D. bchalig. Eene behaallijke ziekte. K. behaelende sieckte = contagio.

S. geeft baarlijke ziekte en vindt er behaallijk in. Hij heeft zeker gelijk.

Z. Behalicheit, bij Verdam. Volgens Woord, der Nederl. Taal thans verouderd.

BE(HANGPAPIER, z. nw., o.. = Behangselpapier.

BE(H)ENDIG, bijv.nw. enbijw.. = Veerdig, rap.

D. Hij is niet behendig in het spreken. Hij is daar behendig voorbijgegaan.

Ook bendig en bennig.

BE(H ENDIGHEID, z. nw., vr.. = Vlugheid.

Ook bendigheid en bennigheid.

BElHjOOR, z. nw., o.. — In behoor , gelijk het behoort.

Spr. : Als 't huis is in behoor, komt de dood veur de deur , dan sterft men.

BE(H)OOS(CH)EN, werkw., overg.. = Behoozen, met water besproeien. De jongens stonden malkander in den vijver te behooschen

BE(H)OU , z. nw., o.. = Behoud.

Spr. : Een goede vrouw is 's mans behou.

BEiH)ULiPZAMIG, bijv. nw.. = Behulpzaam. D, Een kind moet zijn ouders behulpzamig zijn.

BE(H)ULPZAMIGHEID. z. nw., vr.. = Behulpzaamheid.

BEI, z. nw., vr.. = Bezie. V. K. baeye, beye, acinus.

Komt voor in braambei.

BEIAARD, z. nw., m.. BEIAARDBLOM, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Campanula medium, carrillon , fam. Campanul..

Ook blauwe pijpen en witte pijpen.

Bij D. is beiaard Dielytra formosa en D. spectabilis.

BEITE, z. nw., vr.. = Ooi. D. ook beete. S.

BEJABBEREN, werkw., overg.. — Z. Bezabberen.

BEK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Bek af zijn, niet te eten krijgen. Hij meende eens goed te smullen, maar 't was bek af.

— = Mond , al spottende.

Spr. : Zijnen bek houden, zwijgen. Nen viezen bek spinnen , een ontevreden wezen zetten. Zijnen bek in zijn pluimen houden, zwijgen. Den bek roeren, veel praten. Gezijt met uwen bek in 7 vet gevallen, gij zijt gelukkig. Dat is geen spek voor uwen bek, dat is voor u niet.

— = Spotnaam, groote prater of praatster. Mie is een bek.

— = (Kinderspel) Het bovenste deel der spil dat boven den vlieger uitkomt en waar, van weerskanten , twee koordekens aan gebonden zijn, om de wisschen schoon te doen plooien en hun fatsoen te geven.

— = (Wever) IJzeren punt der schietspoel.

— = Bekachtige versiering of uitsnijding, feston. Een rok met bekken.

Z. Verdam , bec. 3).

— = Hoorn der maan. Als de nieuwe maan met heur bekken omhoog zit, zeggen de boeren, is er droog weer te verwachten.

BEKAAMSEL , z. nw., o.. = Kaamsel. C. S.

Ook bekaamsel, bekomsel, bekonsel.

BEKAAMSELD, BEKAANSELD, bijv. nw.. = Met kaamsel bedekt. Het bier is bekaanseld.

Ook bekomseld en bekonseld.

BEKALFD, bijv. nw.. = Een kalf inhebbend. D. Eene bekalfde koe.

BEKAN, BEKANS, BEKANST, bijw.. = Bijkans. C. Hij was in den prijskamp bekanst de eerste.

BEKBEETEL. z. nw., m.. = (Blokkenmak.) Kleine, scherpe beitel om bekskens of boordekens op den muil van de klompen te maken.

BEK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Sluiten