Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUIGACHTIG, bijv. nw.. = Zwak, buigbaar.

— Ziet eens , hoe buigachtig dat die stok is !

BUIGAT , z. nw., o .. = Streek waar er op sommige tijden veel regen uit komt. De wind zit in het buigat.

BUIGBANK, z.nw, vr„ = (Kuiper) Bank met eene spleet in het midden waarin men de reepen steekt en kromt tot banden.

BUIGEN, werk., overg. en onov. (zijn). — Z. Wdb..

Spr. ; Ge moet buigen of borsten, 't is te moeten.

BUIGER, z. nw., m.. = (Kinderspel) Dunne wisch, slappe en taaie stok, dien de kinderen hertvormig buigen om eenen vlieger te maken. Gewoonlijk nemen de kinderen er twee, die ze met de beide dikste uiteinden aaneenbinden en dan vastmaken aan den grooten binnenstok.

BUIGZAMIG, bijv., nw.. = Buigzaam. D.

BUIK, z. nw., m.. — Z. Wdb.

Spr. : Een buili gelijk een tonne. 't Verken is deur den buik geboord of gestoken, de zaak is onderduims op voorhand geschikt. Eten buik sta bij, veel eten. Zijnen buik van iets volhebben, in eigen zin en bijzonderlijk overdracht ; iets beu zijn, van iets afkeer hebben. U 'nen buik bier drinken , ten volle uwe goesting in bier drinken. Klappen alsof ge geen vel over uwen buik hadt, dwaas, dom. Dikke buik, slapende voet, de dikken zijn weinig genegen tot werken. Uw oogen zijn grooter als uw buik, tot iemand die meer spijzen genomen heeft dan hij kan opkrijgen. Lachen dat ge uwen buik moet vasthouden, uitgelaten lachen. Een volle buikpeist op geenen leegen. Zijnen buik rechtuit spreken, onbewimpeld spreken. Op 'nen ijlen buik , zult ge nooit 'tien blijden kop zien staan. Daar is buik noch darm aan, op iemand die zeer mager is. Buihsken vol, herteken rust.

BUIK ALMACHTIG, z. nw. ? — Al schertsende gezeid van iemand die 'nen zeer dikken buik heeft. Ziet eens, buikalmachtig komt af.

BUIKBOOM, z. nw., m.. = (Wever) Soort van boom of balk waar de wever met het lichaam tegen leunt en waar het geweven goed over schuift. • C. D.

BUIKLEEST, z. nw., m,. = (Timmerm.) Stoelplank.

Bij C. buiklijst.

BUIKLOK, z. nw., vr.. = Klok die men hoort als de wind in het buigat zit. De Stekensche klok is voor de menschen van Sint-Pauwels de buiklok.

BUIKVULLING, z. nw., vr.. = Spijs dienende om de maag te vullen. C. D.

BUIKZEEL, z. nw., o.. — (Voerman) Touw onder den buik van een ingespannen peerd. Het buikzeel vervangt den buikriem. C. S.

BUIL, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Loopt met uw hoofd tegen den muur , ge hebt de

buil toe, verzet u tegen eenen machtigere, ge draagt er aan toe. 't Is de buts tegen de buil. Z. Buts. U een buil loopen, eene blauwe scheen loopen, mislukken in eenige aanvraag.

BUIS, z. nw., vr.. = Hooge zijden hoed. C. Hij heeft zijn buis op , als 't kermis is.

— Een buis hebben, mislukken in een examen, in eene kiezing. C. S.

— = Berisping, onder de studenten. Hij heeft een buis gekregen.

Ook flip en saus.

— Iets in de buis hebben, iets gewaar worden. C.

Ook in de gaten , in de mot, in den neus, in den snuf.

BUIS, z. nw., m.. = Daad van veel te drinken. D. Komt voor in de spreuk : hij is voor den babbel, den bik en den buis.

BUIS(CH)EN, werkw., onov. (hebben) = Slaan. D. S. K. pulsare. Hij buischte zoo fel op de tafel dat ik niet weet hoe er de stukken niet afvlogen.

Z. Buusschen , bij Verdam.

BUISROL, z. nw., vr. = (Koperslag.) Houten staaf met rol dienende om de buizen te rollen.

BUISTANG, z. nw., vr. = (Smid) Tang die men gebruikt om buizen van kachels te plooien.

BUITEN, voorz. en bijw.. — Z. Wdb.,

— Buiten tijd werken, buiten de gewone werkuren arbeiden. De wevers planten dikwijls hunne patatten buiten tijd.

— = Bij, vergeleken met, comparé a. Deze stof verschilt veel buiten dedie.

— Te buiten staan, borgen, te goed houden. Als de klanten maar met nieuwjaar betalen, moet de winkelier veel te buiten staan.

— Met buiten worden zeer wel samengestelde werkw. gemaakt. Wij oordeelen voldoende er maar eenige van aan te halen.

BUITEN, z. nw., m., (niet o.). ~ Buitengoed, landgoed V. Hij is des Zomers op zijnen buiten.

— = Het platte land, het geboerte, ook, dorpen tegenover stad. C. D. T. R. Op den buiten zijn de menschen eenvoudiger als in de stad.

BUITENBELEGSEL , z. nw., o.. = (Timmerm.) Beleg van eene deur of venster langs de buitenlucht.

BUITENBLAAR, z. nw., vr.. — Z. Buitenblad. Vergel. : Oor en gelijk buitenblaren, zeer groot en breed.

BUITENBLAD, z. nw., o.. = Luik, vensterblinde langs buiten S.

Ook buitenblaar en waterblad.

Bij C. buitenblaaiken.

BUITENBORSTELEN, werkw., overg.. = Buitenjagen , uit den huize drijven. D.

Sluiten