Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOOD, z. nw., m.. = (Kruidkunde) Theesdalia nudicaulis , fam., Crucif..

— = (Kruidkunde) Beurzekenskruid , Capsella bursa pastoris , bourse a pasteur, fam. Crucif..

In beide beteekenissen ook magerman.

DOODAVE N)D, bijw.. — Zeer donker, zeer laat in den avond. Het was doodavend als hij terugkeerdè.

DOO(D)BEE(D)EN, DOO D)BIE(D EN, werkw., overg.. = Doen zwijgen door zeer hoog te bieden. Hij is enkel naar den verkoop gekomen om mij dood te bieden.

DOO(D)BEEL(D)EKEN, z. nw., o.. = Godsdienstig prentje met doodsbericht.

Bij C. T. en R. doodsbeeldeken.

DOODBENAUWD , bijv. nw.. = Zeer bevreesd.

DOODBEULEN, werkw., overg.. — Dooden door te mishandelen. C. D. Die voerman beult zijne peerden dood.

Ook doodmartelen en doodprossen.

DOODBLOE(D)EN, werkw., wederk.. = Sterven door bloedverlies. Roep den doktoor of ik bloed mij dood.

— onov. (zijn). = Vergeten worden. V. C. S. Men zal die zaak stillekens laten doodbloeden.

DOODBOEFEN, werkw., overg.. = Dooden door slagen op den rug. Ge meugt niet te hard slaan, want ge zoudt mij kunnen doodboefen.

DOODBOOM , z. nw., m.. = (Kruidkunde) Peperboom , Daphne mezereum, bois gentil, fam. Daphneac. D. vertaalt D. mezereum door mezerieboompje en kellerhals.

Ook mezereboom, miserieboom en Spaansche peperboom.

DOODBOTSEN, werkw., onov. (zijn). = Sterven door eenen bots. Het peerd liep tegen den paal en het botste bijkans dood.

DOODBRAAF, bijv. nw.. = Zeer braaf, zeer lijdzaam, zeer zachtmoedig. Pier is een doodbrave mensch , hij zou geen vlieg kwaad doen.

DOODDOEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Schreeuwen alsof ze u dooddeden. Wat gij zegt, is te onnoozel om dood te doen, nietig en dwaas.

— = Verrichten, afdoen, al schertsende. C. S. Hij heeft er wat aan doodgedaan ! Hij zal er 'nen duvel aan dooddoen.

— Z. Dedderen. Patatten dooddoen.

DOODDOENDER , z. nw., m.. = (Scherts) Lediggangen die weinig of niets verricht. V..

— = Mes dat niet meer snijdt.

DOODDRUMMEN , werkw., overg.. = Dringen dat er dood uit volgt. D. Het kind is door 't volk doodgedrumd.

DOOiDEN, werkw., overg.. = Wegschrabben

van de lijst des burgerlijken stands. C. Als iemand gestorven is , gaan twee geburen hem laten dooden op het gemeentehuis.

— = Uitvegen, uitschrabben. Een schuld die betaald is , wordt op den boek gedood.

— = (Metser) Sluiten, onnuttig maken. Nen put, een goot dooden.

DOO(DEN)WEKKER, m.. = Ingebeeld wezen dat gerucht maken komt in het huis waar na korten tijd iemand sterven zal.

— = Spin.

DOODGEREN (zware e), bijw.. =■ Zeer geerne. C. Ik zie hem doodgeren.

DOODGROEIEN , werkw., wederk.. = Zoodanig groeien dat er kwijning of dood op volgt. Als die jongen zoo blijft opschieten , zal hij hem doodgroeien.

DOO(D)HUIS, DOODHUIZEKEN, z. nw., o.. = Huis op het kerkhof waar men eenen doode legt die nog niet mag begraven worden.

DOO(D'KARREKEN, z. nw., o . — Het doodkarreken over zijn lijf voelen rijden, zeer bevreesd zijn.

DOO(D)KIJKEN, werkw., overg.. == Door kijken dooden. Kijk maar al veur u , ge zult mij toch niet doodkijken.

DOO(D)KIJKER, z. nw., m.. = Ziekelijke, kwijnende mensch.

— = Smakelooze aardappel. In de maand Meert komen er veel doodkijkers onder de patatten.

DOO(D KOETS, z. nw., vr.. = Lijkkoets. D. S.

DOODKRIEBELEN, werkw., overg.. = Door kittelen dooden. Ik heb hooren zeggen dat er eens een knecht, al spelende , zijnen kameraad op de plank van zijn voeten doodkriebelde.

DOODKRIJGEN, werkw., overg.. = Met moeite dooden. Ge kunt 'nen pier niet doodkrijgen , al steekt ge hem in stukken.

DOODKROCHEN. werkw., wederk.. = Afmatten door groot en moeilijk werk. Ik heb mij doodgekrocht met zoo den heelen dag zand te voeren.

DOO D LOOPEN, werkw., wederk.. = Door loopen zich zeer afmatten of sterven. Ik heb mij moeten doodloopen om intijds te zijn.

— meest onov. (zijn). = (Metser) Eindigen. Die muur loopt dood op de ribben van de zoldering.

DOOlDjMANNEKEN, z. nw., o.. — Het doodmanneken loopt over mijn lijf, ik krijg eene huivering.

DOODMARTELEN , DOODMERTELEN , werkw., overg.. — Z. Doodbeulen. C.

DOODMOETEN. werkw., onov, (zijn). = Sterven moeten. Vroeger moesten de groote booswichten dood.

DOO;D'NEEP, z. nw,, vr.. Plek op het vel,

Sluiten