Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEISTEREN, werkw., onov. (hebben). — Gasteren .

GEIT, z. nw., vr.. — Z. Wdb .

Vergel. : Zoo lekker als een geit.

GEITE'N)KOT, z. nw., o.. = Geitenstal.

GEJABBER, z. nw., o.. = Het jabberen. Met uw gejabber maakt ge heel de tafel vuil.

GE JACHTIG, bijv. nw.. = (Boer) De meikaders opwekkend. Haver en brood is gejachtig.

GEJOND, bijv. nw.. = Gegund.

Spr. : Ons Heer wilt geen gejond vleesch , wordt gezeid in een huishouden, waar iemand dien men geerne zou zien sterven , blijft leven.

GEJONSTIG, bijv. nw.. = Goedgunstig. D. Een gejonstige rijke mensch.

GEK, z. nw., m.. = (Schipper) Beweegbaar deksel dat de opening sluit langs waar men in den vooronder van het schip gaat.

GEKAKEL, z. nw., o.. — Getwist met woorden, gedurig krakeel. Z. Kakelen. Dat gekakel zal op vechten uitkomen.

GEKALLjEWEI, z. nw., o.. — Het halleweien.

GEKAMD, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— Gekamd geleit, gelei waar de kortste pijlen met eene rijf uitgereven zijn.

GEKANECHEL, z. nw., o.. = Het kanechelen. Dat peerd is zoo rap versleten door uw gekanechel.

GEKAPT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Aaneenhangen gelijk gekapt slroo. Z. Aaneenhangen. Wat hij zei, was gekapt stroo, eene onsamenhangende rede.

— z. nw., o.. = (Vleeschhouw.) Gehakt, fijngehakt vleesch.

GEKA.S, z. nw., o.. = Het kassen, van bradend vleesch gezeid.

GEKAWAUWEL. z. nw., o.. = Het kawauwelen. C. D. Met dat gekawauwel verricht ge niets goeds.

GEKEF, z. nw., o.. = Het keffen. Uw huishouden geraakt ten onder met al dat gekef.

GEKEIKEL , z. nw., o.. = Het keikelen. Z. Gekakel.

Bij C. gekekel.

GEKEKKEL, z. nw., o.. = Het kekkelen. Z. Gekakel.

GEKETS, z. nw., o.. = Het ketsen. Zijn plezier bestaat in een gedurig gekets.

GEKEUTEL, z. nw., o.. = Hoop kleine kinderen. Met Nieuwjaar kwamen al de zusters met hun kinderen bij ons; ik was blij als al dat gekeutel wegwas.

GEKIKKEL, z. nw., o.. — Het kikkelen. Z. Gekakel.

GEKLADDER. z. nw., o.. = Het kladderen. C. Met uw gekladder moet gij uwen brief herschrijven.

GEKLAPPIG, bijv. nw.. = Spraakzaam. Met vremde menschen is hij weinig geklappig.

GEKLAVER. z. nw., o.. = Het klaveren. Ge zult wel eens van de boomen vallen, tot straf van uw geklaver.

Bij C. geklafer.

GEKLAWIETER. z. nw., o.. — Het klawieteren. Ik hoorde van verre het geklawieter van de jongens in 't water.

GEKLEEDSEL, z. nw.. o.. = Kleeding. D. In Bulgarië hebben ze een aardig gekleedsel.

GEKLEERD zware e , bijv. nw.. Gesnaard, gereed om te vertrekken, tout préparé. Gaat gij mee ? ik sta al gekleerd.

GEKLEFFER, z. nw., o.. = Het klefferen. C.

GEKLOPT, bijv. nw.. — Een geklopte uur, geslagen, vol uur. Een geklopte of gestampte boer, zeer lompe boer, uit verachting.

GEKLOS . z. nw., o.. = Het klossen.

GEKLOTER, z. nw., o.. = Het klateren. Het gekloter van bellekens.

GEKNETS, z. nw., o.. = Het knetsen. Als twee marmels op malkander vallen, hoort ge hun geknets.

GEKNEUT , z. nw., o.. — Het kneuten. Uw gekneut maakt mij lastig.

GEKNIP. z. nw., o.. = Het knippen.

GEKNOBBEL, z. nw., o.. = Het knobbelen.

GEKNOEP , z. nw., o.. = Het knoepen. Deur uw geknoep weet ik dat gij suikerbollen eet.

GEKNOKKEL. z. nw., o.. Het knokkelen. Het geknokkel van 'nen lastigen man.

GEKNOOPT, bijv. nw.. — Z. Gehoopt.

GEKNOSSEL, z. nw., o.. = Het knosselen. Met uw geknossel zult ge uit uw rekeningen niet meer wijs worden.

GEKNOTS, z. nw., o.. = Het knotsen. C. D.

GEKNOTTER, z. nw., o.. = Het knotteren. C.

Bij D. ook geknutter, geknuttersel en geknottersel.

GEKNUFFEL, z. nw., o.. = Het knuffelen. C. Houdt dat geknuffel aan dat been nog niet op ?

GEKOM, z. nw., o.. = Het komen. Al dat gegaan en gekom van dien vent in ons huis zie ik niet geren.

GEKONKELFOES, z. nw., o.. = Gekonkel, geheime list, kuiperij. Het heeft daar een gekonkelfoes geweest, in de bureelen van de stad !... Geen een rekening is juist.

Sluiten