Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESEUTER, z. n\\\, o.. = Slecht geschrift.

— = Beuzelarijen die men op 't papier brengt, gelijk okens en krullekens.

GESEVENTIGEN, z. nw„ = Zeventig te zamen.

Ook getseventigen.

GESIEP, z. nw,, o.. = Het siepen.

GESJAFFEL, z. nw., o,. = Het sjaffelen. C. Het gesjaffel van 't oud vrouwken.

GESJIEP, z. nw., o.. = Het sjiepen.

GESJIRP, z. nw., o.. = Het sjirpen.

GESJOEFEL, z. nw., o.. = Het sjoefelen. C. Dat gesjoefel kost hem veel geld.

GESJOU(W), z. nw., o.. = Het sjouwen. Het gesjouw van 't volk klonk over de markt.

GESLAGEN , bijv. nw.. — Z. Wdb..

— Een geslagen uur, een vol uur. Hij heeft een geslagen uur in de herberg gezeten.

Ook geslegen en geklopt uur.

— Van iets geslagen zijn, verstomd, verbaasd , ter neer geslagen. C. Hij was zeker geslagen als hij hoorde dat zijn moeder doodgevallen was ? Van de hand Gods geslagen zijn, zeer verbaasd.

— Geslagen vleesch, het vleesch eener beest dat goed is voor den verkoop , alle afval weggelaten. C. Die beest is wel zwaar, maar ik zal er weinig geslagen vleesch van hebben , omdat zij zwaar van gebeente is.

GESLAVOEN, z. nw., o.. — Het slavoenen.

GESLEPEN, bijv. nw.. = Loos, listig. Z. Wdb..

— Een geslepen vos, iemand die zeer slim is.

— Op iets geslepen zijn, naar iets begeerig zijn. C. R. Hij was al lang op dit postje geslepen.

GESLETEN, bijv. nw.. — Gesleten zijn, eene breuk hebben. C. D. S.

Zuidned. bij V..

GESLIDDER , z. nw., o., = Het sliideren.

GESLODDER, z. nw., o.. = Het slodderen. Het geslodder van uw kleeren

GESLOEBER , z. nw., o.. = Het sloeberen. C. Met uw gesloeber maakt ge uwen voorschoot vuil.

GESLOES, z. nw., o.. = Het sloesen. Het gesloes van de vuile en zotte meid.

GESLOK, z. nw.,o..'= Het slokken. Ge zoudt er eerlijk niet geren mee aan tafel zitten, met zijn geslok altijd.

GESLOTEN, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— U gesloten houden . zwijgen. C. D. T.

Met gesloten borze betalen, elkander wederzijds

schuldig zijn. C. S. Uw schuld bedraagt zooveel als de mijn, wij zullen dus malkander met gesloten borze betalen.

— Gesloten huis, huis waar geen winkel is. T.

— De grond ligt gesloten, als hij vastgetrapt is.

— De lucht is gesloten, als zij vol wolken is.

— Een koe is gesloten, wanneer de banden stijf zijn. Z. Eersbeen.

GESLUIR, z. nw., o.. = Het sluiren. Met al dat gesluir zijn wij te laat met de nieuwe deur gereed.

GESMAKELIJK. bijv. nw. en bijw.. = Smakelijk. D. Dat is gesmakelijk om eten. Gesmakelijk eten.

— Gesmakelijk! verkorte uitdrukking voor : ik wensch u goeden eetlust. D.

GESMEEL (scherpe e), z. nw., o.. = Het smeelen. Kind , ik ben uw onverdraaglijk gesmeel beu.

GESMEER (zware e) z. nw., o.. = Het smeten. Al dat gesmeer maakt plaats in den zak.

GESMIJ. z. nw., o.. = Werktuigen die de werkman gebruikt tot het uitoefenen van zijnen stiel, alm, gerief. S. K. gesmijde — instrumentum. Ik en kan niet beginnen, zei de boer, ik en heb mijn gesmij niet.

Bij S. ook gesmijde.

GESMOESTER, z. nw., o.. = Het smoesteren. Met al uw gesmoester hebt ge nooit saus genoeg.

GESMOKKEL, z. nw., o.. = Het smokkelen. Ge hebt heel de tafel met uw gesmokkel vuilgemaakt.

GESMUISTER, z. nw., o.. Het smuisteren.

GESNAAR, z. nw., o.. = Het snaren. Van al dat gesnaar zal geen trouwen kommen.

GESNAARD , bijv. nw.. — Z. Wdb.. Met dien stok ben ik gesnaard, nu kunnen wij vertrekken.

— = Gewend, zijnen lust hebbende. De jongen is hier nog maar twee dagen, en hij is al gesnaard.

— = Voorzien , in ongunstigen zin. Als ge met zoo een vrouw gesnaard zijt, zijt ge geriefd !

GESNE D)EN, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— Gesneden en genezen zijn. Z. Genezen.

GESNE RK, z. nw., o.. — Het snerken.

Zuidned. bij V..

GESNETS, z. nw., o...= Het snetsen. C.

GESNOEPER, z. nw., o.. = Het snoeperen.

GESNOK. z. nw., o.. = Het snokken, 't Was altijd éen gesnok aan mijn peur en nog geenen paling hebben !

GESNUISTER , z. nw., o.. — Het snuisteren. C. D. Ik wil niet langer uw gesnuister in mijn papieren toelaten.

GESNUK, z. nw., o.. = Het snukken. C. Aan 't gesnuk van zijn hoofd ziet ge dat hij fier is.

GESNUTTER. z. nw., o.. = Het snutteren. Dat gesnutter aan dien stok legt den vloer vol vuiligheid.

GESPAN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Vrouwen man is ten gespan.

Sluiten