Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = (Wever) Lat met pinnekens waar het achlerste einde van het te ramen goed aan vastgemaakt is.

HONDEKOT, z. uw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo moeilijk geld vinden als spek in een hondekot.

— = Hooge hoed, al schertsende. C. D. S. T. R. De boer heeft zijn hondekot op , als 't kermis is.

Ook kot.

Bij T. en R. hondshot.

HONDELEER (zware e), z. nw., m.. = (Kruidk.) Sporkenhout, Rhamnus frangula , nerprun bourdaine, fam. Rhamn.

Bij D. hondsboom, vuilboom, pijlhout.

HONDEMAGER, bijv. nw.. = Zeer mager, zoo mager als een hond. Dat peerd is hondemager.

HONDE(N)STIEL, z.nw.m., = Zeer slechte, lastige stiel. C. Briefdrager zijn is in den Winter een hondenstiel.

HONDENTEEK (zachte e), z nw., m.. — Z. Heiteek.

HONDERD, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Ge hebt honderd, ge meugt vagen, op iemand die twist en wien men niet meer antwoorden wil Zoo zat als honderd duizend man, zeer dronken.

HONDERDERM, z. nw., m.. —Z. Hoendcrsderm.

HONDERlDiSTE . bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : De honderdste dag, honderd steencn van 't gemet : In den ouden tijd wachtten de boeren den honderdsten dag van 't jaar af om vlas te zaaien, dat was, volgens hen , de voordeeligste dag.

HONDSBLEIN, 2. nw., vr.. = Blein die soms bloed , soms eene witachtige stof bevat, phlyctène.

HONDSDERM, z. nw , m.. — Z. Hoendevderm.

HONDSDUL, z. nw., m.. — Z. Balllekenskruid.

Bij D. is hondsdille oihonisdulle anthemis cotula.

HONDSKONT, z nw., vr.. = Een weinig tijds. Hij is nog maar een hondskont weg , hoe zou hij dan al hier kunnen zijn ?

— = Een kleine afstand. Ga bij uw zuster, ze weunt maar een hondskont van hier.

HONDSNEUS, z. nw., m.. — Nen hondsneus hebben, iets snel en goed kunnen ontdekken. C. T. R.

HONDSREBBE, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Weegbree, Plantago lanceolata, plantain lancéole, fam. Plantag.. C. D. S.

Ook rebbe, wilde rebbe.

HONDSVOD, z. nw., vr.. — Spotnaam op iemand die niet deugt, 't Is een hondsvod van 'nen jongen.

HONGER , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Vergaan van honger en gebrek. Honger is een kwade beest of een scherp zweerd. Ons Heer geeft gratie naar staat en honger naar spijs. Honger hebben gelijk een peerd. Ik heb zoo 'nen honger dat ik een peerd den rug

zou uiteten. Scheel zien van honger, grooten honger hebben.

HONGER, z. nw., m.. = (Kruidk.) Klavervreter, Orobanche minor, waarschijnlijk de verscheidenheden, fam. Orobanch.. Bij D. heet O. dieven in den klaver, hondsdul, hondspriem, enz..

HOO (zachte o), tusschenw.. — Z. Hou.

HOOD (scherpe o), z. nw., o.. = Hoofd. S.

Spr. 1 Iets opeten met hood en poot, heel en al.

Zie verder bij Hoofd.

Verdam geeft nevens hovet, hooft en hoeft, de vormen hood en hoet.

— = Hoofd , veerdam die in het water een eind uitsteekt. V.. Het Vlaamsch hood.

HOODAKKER, z. nw., m.. = Kantgewende dat in de breedte van den akker ligt, terwijl de andere gewenden in de lengte zijn. S.

HOODDAM, z. nw., m.. =Weg die naar het hoofd of de aanlandingsplaats leidt. Z. Hood.

HOOFD, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Boven iemands hoofd gegroeid of gewassen zijn, iemands gezag niet meer erkennen. Niet weten waar zijn hoofd staat, veel bezigheid hebben. Met uw hoofd tegen den muur loopen, vergeefsche moeite doen. Zooveel hoofden, zooveel zinnen. Daar is noch hoofd noch steert aan,ik versta niets van wat ge zegt. Het is iets te zeggen , zei de man, een kind zonder hoofd : ge weet niet waar de muts zi tten en 't is t'halven in den nacht, bij een werk dat men niet in orde brengen kan. Iets in zijn hoofd steken, zich iets inbeelden, iets besluiten, 't Is beter bij 't hoofd te gaan als bij den steert, beter bij den meester dan bij den knecht. Z. ook Gat. .4Is men pijn in 't hoofd heeft, moet men zijn voeten niet verbinden , men dient doeltreffende middelen te gebruiken. Veel op zijn hoofd zetten, hooveerdig zijn. Uit zijn eigen hoofd iets doen, zonder iemands tusschenkomst.

— = (Metser) Vensterpijler, wandruimte tusschen twee ramen , trumeau.

HOO(FjDENDE, z. nw., o.. - Hoofdeinde , chevet.

HOOFDOEL, z. nw., m . — Z. Hoekedoel.

HOOF(D)NAGEL. z. nw., m.. = (Schoenmak) Korte nagel met grooten ronden of vierkanten kop. Hij wordt voor de sleet op de zool der schoenen geslagen.

Ook kopnagel, walenkop en walennagel.

HOOFDTAND, z. nw., m.. = Oogtand, dent ctillere. K. dens maxillaris.

HOOF(DV)LAK, z. nw., o.. - Hoofdkaas. D. S. Ik ga bij den beenhouwer om wat hoofdvlak.

Zuidned. bij V..

HOOF(D)ZIEKTE ,z. nw., vr.. = (Ziekte) Hersenvliesontsteking, meningite, hydrocephalie.

Ook waterhoofd.

Sluiten