Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoop hebben, door de visschers gebezigd, wanneer zij hun vlot zien bewegen, wat gewoonlijk aanduidt dat er een visch aan het lokaas bijt.

HOOP (scherpe o), z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Hoop over hul, hoop ore/ end, in wanorde ; — alles staat daar hoop over end, alles ligt daar hoop over hul. Op den hoop toe, op den koop toe, daarenboven ; — ik kocht veur vier frank drij stoelen en kreeg dan nog 'nen kandeleer op den hoop toe ; hij wou mij niet betalen en ik kreeg dan nog wat scheldwoorden op den hoop toe. In nen hoop of in 'nen zak vallen, op korten tijd zijn gezondheid verliezen , verzwakken. levers op den hoop zijn, overbodig, kunnen gemist worden.

T'hoop, bijeen, te zamen. Z. Thoop. Dobbel t'hoop.

Z. Dobbel.

HOOPELING, z. nw., m.. - Hoofdkussen. S.

HOOPEN, z. nw., o., zonder meerv.. = Groot getal , merkelijke hoeveelheid. C. Daar ligt een hoopen geld op de tafel.

Bij D. hopen.

HOOPENSTEKER, z. nw., m.. ■= Soort van mol, die veel aarde in hoopen naar boven wroet. De hoopensteker is moeilijk om vangen.

HOOPKEN (scherpe o), z. nw., o.. — Hoopken sbrineen . een spel waarin de kinderen over eenige

hoopkens aarde springen, die zij langs den weg gemaakt hebben.

HOOPSGEWIJS. bijw. Hoopswijze.

HOOPSOM (klemt, op hoop, scherpe o;, z. nw., vr.. = Handvol. Hij liet ons een heele hoopsom geld zien.

HOOPTE (scherpe o), z. nw., vr.. Hoeveelheid, opbrengst. De rogge zal dit jaar goed van hoopte zijn. Daar is hoopte genoeg, maar de soort en deugt niet.

HOOR, tusschenw.. — Wordt, op 't einde van de zinnen gebruikt, juist gelijk zulle. Als ge met gaat zwijgen , zal ik u wat slagen geven, hoor !

Ook hoore l en hoordet!

HOORE . tusschenw.. — Z. Hoor. C.

HOOREN. werkw., overg.. — Z. Wdb .

Spr. : Van hooren zeggen hoort ge veel liegen, van hooren zeggen hommen de leugens in t land. Een gerucht (geroep, geschreeuw) dat hooren en zien vergaat, oorverdoovend. Ik heb hem noch gehoord noch gezien, weet er niets van. Iemand niet kunnen hooren noch zien, niet kunnen verdragen. Die niet hooren wilt, meet voelen.

Hoorende doof en ziende blend zijn , niet willen hooren

noch zien.

HOOREN. z. nw., m.. = Hoorn , horen.

Spr. Zoo droog als hooren. De beste koe is den hooren af. Z. Koe. Ge zouit er hoorens van krijgen, men zou er zijne koelbloedigheid door verliezen

— Schimpnaam, vooral op een te strengen mensch.

— = (Schoenmak.) Potje dienende om de pap of het plaksel in te doen.

Öok stijfsel/toorn.

— = Schoentrekker. V. D. S.

— (Schoenmak.) Iloorentjes, harde rondekens die aan het uiteinde van een stuk zoolleder voorkomen.

HOOREN, z. nw., m . = (Kruidk ) Kalle , .1 rum (Ethiopium, calla , fam. Aroïd.

HOORE(N)BOOM, z. nw., m. = (Timmerm.) Stuk hout dat in een dak tot negge dient van twee dakvlakken die te zamen een uitspringenden hoek maken. C.

Bij D. hoorboom, oorboom en noorbjom: bij S. horeboom ; bij R. horeboom.

— = Zijde van het dak waar de hoorenboom ligt.

— = (Steenbakk.) Pan die in plaats van eenen neus een hol heeft en dient om den uitspringenden hoek te dekken.

HOORENDROOG (beide scherpe o), bijv nw.. =

Zoo droog als hoorn, zeer droog. K. siccus instar cornu. Het zaad is hoorendroog.

HOORENDUL, bijv. nw . = Hoorndol. C. D. S.

R. De koe wierd hoorendul.

— Ook van menschen. C. D. S. R. Zoudt ge niet hoorendul worden van dat gedurig gegreef ?

HOORM, z. nw., m_. = Brand, zwart in 't graan, ergot de seigle.

Ook kankeraar en kankergraan.

HOORT (scherpe o), z. nw., m . = (Boer) Zwarte haver, kankerhaver.

HOORTELDETOORTEL (scherpe o's), z. nw., m..= Verwarde hoop, mengelmoes, mingeldemangel. Ik en kan de terf van de rogge niet meer scheiden, 't is allemaal een hoorteldetoortel, 't ligt al verward dooreen.

bijw.. = Ondereen, verward, hoop over hul. Alles

ligt daar hoorteldetoortel.

HOORTEN, z. nw., m., meerv.. Afval van het stroo dat na het dorschen blijft liggen, 't zijn meest stukken van halmen.

HOORTENBUSSEL, z. nw., m„ = (Boer) Bos van samengebonden hoorten.

Bij S. hoortbussel.

HOORTER (scherpe o), z. nw., gesl. ? — In de spreuk ; hoorter over toorler, hul over hoop , in wanorde. Wat zit gij daar in die kas te zoeken ? Ge zult weer alles hoorter over toorter laten liggen.

HOOS (zachte o), z. nw., vr.. — Z. ^«.(schoenmaker).

HOOS GHjEN. = Werpen, gieten. Beer hooschen.

HOOST (scherpe o), z. nw., m.. = (Steenbakk.) Schup waarmede men op de te bereiden steenaarde water sproeit.

Sluiten