Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : In de ijzers zitten , in de gevangenis. Zijn ijzers wetten, snel loopen.

IJZERDRAAD, z. nw, m.. - Z. Wdb., C.

IJZEREN, bijv. nw.. —IJzeren band. Z. Band.

— IJzeren reep, reep van gevlochten ijzerdraad.

IJZEREN DUVEL, z. nw., m.. = (Kruidk.) Luiskruid, Helleborus falidus, pied de grijfon, fam. Ranunc.

IJZERE(N)WEG, z. nw., m.. = Spoorweg. C, Zuidned. bij V..

IJZERGERIEF, z. nw., o.. = Al het ijzeren gerief dat men in de keuken bezigt, zooals potten, pannen , enz..

IJZERGETREK , z. nw., o.. — Z IJzergerief.

IJZERING, z. nw., vr.. = Verzamelwoord, al het ijzer dat aan eenig werk gebezigd wordt. De ijzering van 'nen windmeulen kost veel geld.

IJZERMAAL, z. nw., o.. = Ijzerroest in linnen stoffen. C. D. S. K. macula ferruginea. In mijn hemd zijn twee plekken van ijzermaal.

Zuidned. bij V..

Z. Isermael bij Verdam.

— = Kleur van ijzerroest. D. In sommige patatten komt er ijzermaal, die zijn slecht om eten.

IJZERMAAL, bijv. nw.. = Met ijzermaal bevlekt. C. S. Ons lijnwaad is hier en daar ijzermaal.

— = De kleur hebbende van ijzerroest. Als er veel nat komt na 't planten, worden de scheuten van de patatten ijzermaal.

IJZERROEST, z. nw., o . - Z. Wdb..

— bijv. nw. en bijw.. = (Boer) De kleur van ijzerroest hebbende. Het is zeer goed dat het vlas ijzerroest aanslaagt.

IJZERWERK, z. nw., o.. = Al het ijzer dat aan een gebouw of aan een voorwerp noodig is. Het ijzerwerk van een deur is slot, grendel en hengsels.

IJZERWINKEL , z. nw., m.. — Z. Boontje.

IJZERZAAG, z. nw., vr.. = (Smid) Metaalzaag, zaag met ijzeren boog om gegoten platen of staafijzer door te zagen. C.

IK EN GIJ, z. nw., m.. = Zekere kant, ook krinkels geheeten, omdat hij die gedaante heeft.

— Iets toenaaien met 'nen ik en 'nen gij, los, hier en daar eene steek. C. D. T. R.

— Op 'nen ik en 'nen gij, op korten tijd, op 'nen oogwenk. 't Zal gedaan zijn op 'nen ik en 'nen gij.

IKKE, pers. voornw.. = Ik. C. D. S. Wie wilt dat ? — Ikke.

IKKEL, z. nw., m.. =-= Nikkel; muntstuk van nikkel. Geef mij vijf ikkels veur 'nen halven frank.

IKKELGELD , bijv. nw.. = Munt van nikkel.

IN, voorz.. — Z. Wdb..

— In komt dikwijls voor aan. C. D. Student in de Hoogeschool. U ziek eten in 't fruit. Iets in stukken slagen. Een groote som in bankbriefkens.

— Iets in u, in uw lijf hebben. Z. Hebben.

— In zijnen (uwen, keuren, huideren) goeden zijn, in eene goede luim zijn.

Zoo ook in zijnen zotten, aardigen, lastigen enz., zijn.

— In den lijd, vroeger, eertijds. In den tijd was 't vlas dierder als nu.

— In en uit gaan, eventjes binnengaan. C. Ik heb er mij niet neergezet, want ik ben maar in en uit gegaan.

— In en uit klappen, niet weten wat men zegt, raaskallen. C. S. Op 't woord van uw broer durf ik niet te werk gaan , want die klapt in en uit. Moederken wordt oud , 't mensch klapt in en uit.

INAKKEREN, werkw., overg.. = In den grond ploegen. D. Het vuil inakkeren.

Zuidned. bij V..

INASEMEN, werkw.. overg.. = Inademen, aspirer. V..

INBELLEN, werkw., onov. (zijn). — Hel of de school belt in, men belt om de school te beginnen. S.

INBINDEN, werkw., overg . — (Kamslag.) Een riet inbinden, een riet maken.

INBOETEN , werkw., overg.. = Nieuw zaad leggen waar het eerste niet uitkwam. Erwten inboeten. Z. ook Bijboeten en Boeten.

INBRAAK, z. nw.. vr.. = Inbreking. IC. inbraecke doen, cum violentia et impetu ingredi. Hij is veroordeeld veur diefte mee inbraak.

Z. Verdam.

INBRESSEN, werkw , onov. (zijn). — Instorten, invallen. D. Bij 't maken van den put, bresten de kanten gedurig in.

INBRING, z. nw., m.. = Aandeel in eene gemeenschap gebracht. De inbring van de leden was vijf duizend frank.

INBRINGEN, werkw., overg.. = Inbrengen.

— (Bolspel) Een bol inbringen, eene bol die te kort gespeeld was, door eene andere een eind ver doorspelen of doen voortrollen.

INBROKKEN, werkw., overg.. = Geven, betalen, toedragen. Als de dochter drij maand getrouwd was , moest de moeder er heur geld inbrokken om ze te helpen.

INBUNSELEN, werkw., overg.. = Warm inkleeden. Ge moet er het manneken goed inbunselen, want het is bliksems koud.

INBUSSELEN, werkw , overg.. — Z. Inbunselc?i.

INDEIZEN , werkw., overg.. — Het graan indeizen. Z. Deizen.

Sluiten