Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KALUITEHEN, werkw., onov. (hebben). — 7.1 Kaluitblokken. Wij gaan kaluiteren.

KALVEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Hij zal in 't veld niet kalven, van eenen slimme.

— = Overgeven , braken. C.

Gewest, bij V..

— = Afvallen, instorten , van den grond gezeid. S. De grond kalfde, wanneer de metser aan de fondeering werkte.

KALVEREN, werkw., onov. (hebben). = Kalven K fxtare.

KAL VERKNIEËN, z. nw., vr., meerv.. = Ge- j draaide , kromme knieën. Z. Wdb..

KALVERKOE. z, nw., vr.. = Kalfkoe. K. vacca fceta.

KALVERMUIL, z. nw., vr.. — Z. Hazemondje. D.

KALVERZIEKTE, z. nw., vr.. = Kalverkoorts, ziekte die veel koeien krijgen na 't vernieuwen. D. T. R.

Bij C. kalf ziekte.

KALVIEN, z. nw., m.. = Kalvijnappel, kalvielappel.

Men spreekt van roode en witte kalvienen.

KAM, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Ze zijn op tenen kam geschoren, ze zijn alle twee van dezelfde soort. Iemand in den kam pikken, hem beleedigen, kwaadmaken. Die zal gaan leggen, haar kam ziet rood, op eene dochter die roode bloemen in de muts heeft.

— = (Smid) Klein uitstekend ijzeren plaatje aan het einde der buis en aan den wand rakende.

— = (Schilder) Fijn en licht werktuig met tanden dat men over de effen verf haalt, om daarin de draden en vezels van eik of ander hout na te bootsen. C.

KAMANK, bijv. nw. en bijw.. = Krom, slecht te been. C. S. Hij gaat wat kamank, sedert dat hij gevallen is.

— = Ziekelijk. S. K. kamant, scabiosus. Ons meisen is kamant: ik en mag heur geen zwaar werk opleggen.

Bij S. ook kamant.

— = Versleten, in slechten toestand. Uw schoenen beginnen kamank te worden.

KAMER, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Vergel. : Een kamer gelijk een eiland, zeer groot.

— (Pottenb.) De kamer van den oven, tamelijk ruime plaats in 't begin van den oven, voorzien van eene ijzeren deur langs waar men het vuur voedt. Die deur wordt gesloten zoohaast de oven afgestookt is. De kamer is van de potten gescheiden door de krekelmuit.

KAMERAAD, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Kameraad zestig, kameraad zeventig, gemeenzame, vriendelijke toespraak of groet.

KAMEREEREN, werkw, overg.. = (Schoenmak.) Opvullen. De binnenzool kamereeren.

Ook kameruren, opkamereeren en opkameruren.

KAMERUREN, werkw., overg.. — Z. Kamereeren.

KAMERUUR, z.nw., m . =-- (Schoenmak.) Uitgehold buitendeel van het onderwerk tusschen den achterlap en den tert. D.

Ook hul en kreuk.

— = (Schoenmak.) Elk van de dunne stukskens leder die tusschen de twee groote stukken van de zool geschoven worden om haar den behoorlijken vorm te geven. D.

KAMERVET, z. nw , o.. = (Vleeschhouwer) Vet dat onder de vang ligt van binnen tusschen den dikken darm en het slot der beest.

Ook sloof.

KAMFOORT (scherpe o), z. nw., m . = Kamfer.

Bij C. kamfort.

KAMKOORDE, z.nw., vr.. = (Wever) Koord die aan de kammen gehecht wordt om deze op te hangen. C.

KAMMEKEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

— Op kammekens maaien, ongelijk maaien.

KAMMEKENSGA R)S, z. nw., o.. = (Kruidk.) Kamgras , Cynosurus cristatus, fam. Gramin. D. ook hanekam.

KAMMELING, z. nw., m., meest in 'tmeerv.. = (Vlas) Afval van 't vlas, als het. gekamd wordt. D. Het vlas is rot, als het veel kammelingen geeft.

Wordt gezeid van den afval van alle stof die gekamd wordt.

Bij D. ook kammerling.

KAMMEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— (Boer) Stroo kammen , met eene rijf het kortste en vuilste stroo verwijderen.

— = Over den hekel halen , hard berispen. C. D. T. R. Soms zegt men kammen met den groven kam.

KAMP, bijw.. — Het is kamp aan boord, het is effen.

Ook kant aan boord.

KAMPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

— = (Nonspel) De non bovenarms uitwerpen, gewoonlijk naar eene meet, of eene andere non. C. S.

Bij D. kempen.

Ook kappen.

KAMPEN, werkw., onov. (hebben). — Het kampt, de kans staat gelijk, ieder partij heeft juist of bijna evenveel.

Spr. : Het kampt, zei Arieking, maar hij lag onder, schertsende gezeid op iemand die, in een spel of anders, veel verliest of verre onderligt.

KAMPHOEN, z. nw., m.. = (Vogel) Machetes pugnax, combattant querelleur.

Sluiten