Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Dat gelijkt op malkander gelijk Kemzeke en Sint-Pauwels, dat verschilt volkomen.

KENNEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemand kennen van haar noch pluim, van verre noch van bij, hoegenaamd niet. Iets op zijn duimken ■ vnnbuiten kennen, zeer goed.

— Uiteen kennen, den eenen uit den anderen kennen, uit malkander kennen, onderscheiden. C. D. Die twee broers trekken zoo goed op malkander, dat ge ze niet uiteen kunt kennen.

— = Begrijpen, verstaan. C. Waarom ge dat gedaan hebt, dat ken ik niet.

Gewest, bij V.. 0

— Iemand niet kennen, veronachtzamen. C. D. Sedert dat hij in de stad weunt, kent hij ons niet meer.

Z. ook Kunnen.

KENNIS, z. nw, vr.. — Z. Wdb..

— Kennis dragen. Z. Dragen. C.

— Kennis geven van, inlichten over. Ge moest mij van die geheime bijeenkomst kennis gegeven hebben.

— Kennis hebben, vrijen, verkeeren. C. Ze heeft al kennis en ze is nog maar zeventien jaar.

— Kennis hebben aan, kennen. C. Hebde gij kennis aan den mensch ?

— In kennis zijn met, vriendelijke betrekkingen hebben.. Zijt gij in kennis met dien notaris ?

KEPER, z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb.. R.

KEPEREN, werkw., overg.. = Vlechten met drij strengen. C. S. De koewachters keperen soms hunne djak. Men kan ook de biezen keperen.

Met twee strengen heet het luiken.

Bij T. kippelen.

— onov. (zijn). = Met eene keper geweven worden. Die stof kepert niet.

KEPERING, z. nw., vr.. = Al de kepers van een dak. C. D.

KEPPEN, z. nw., o.. — Z. Kebben.

KEREL (zware e). z. nw., m.. = Iets groot in zijne soort. Die pronkappel is een kerel !

Ook klopper.

KEREMELK (zware e), z. nw., vr.. — Z. lieernmelk. D. S.

KERF, z. nw., m.. = Kerfstok. C. D. S.

Spr.: op 'nen nieuwen kerf beginnen, de oude schuld betalen en er weer eene nieuwe maken.

Z. Verdam.

— = (Wever) Haak waar de verwissellat in gelegd wordt.

— = (Meulen) Tand die op het steen gekapt wordt.

KERFZAAG , z. nw., vr.. — Z. Boomzaag. D.

KERK, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Het kan beter van de kerk als van den arme, die meest heeft, kan meest geven of verliezen. Zorgen dat de kerk in 't midden of in het dorp blijft

staan. Z. Dorp. Men zou kerken bouwen op dien vent, men heeft er alle vertrouwen in. Hij komt uit de kerk , zegt men op iemand die de deur open laat. Kerken willen verzetten, eene onmogelijke onderneming aangaan. De kerk is uit, de kerkdienst is geëindigd. Een huis gelijk een kerk, zeer groot en ruim. In de kerk is altijd werk. Die neerstig in de kerk is, ook neerstig op zijn werk is. Naar kerk noch kluis gaan , nooit de goddelijke diensten in de kerk bijwonen. Hoe nader de kerk , hoe slschter christenen.

KERKAGHTIG. bijv. nw.. = Tot de kerk genegen , geerne naar de kerk gaande. C. D. De vrouw is braaf, maar de man is niet kerkachtig.

KERKBALUW, z. nw., m.. = Soort van onderkoster die , in de groote plechtigheden , eenigszins de bediening van ceremoniëmeester vervult.

KERKEBAK , z. nw., m.. = Waterbak waar het volk van Doel komt water aan halen.

KERKEBIMBOM. z. nw., m.. = Kerk, in de kindertaal.

KERKEBLOM, z. nw., vr.. — Z. Dijkblom,

KERKELEE8 (zachte e), z. nw., vr.. = Kerk, woord der• moeders tot hunne kindjes. Kom, wij gaan naar de kerkelees.

KERKEPUTTEKEN , z. nw., o.. = Kerkhofput, graf, meest bij de kinders en de moeders in gebruik. C. D. T.

KERKERECHTEN, z. nw., o., meerv.. — Onder kerkerechten liggen of zijn, bediend zijn van de H. Sacramenten der stervenden. C. D. S. R.

Bij D. ook kerkgerechten.

KERKFABRIEK, z. nw., o. en vr.. = Kerk als burgerlijke persoon aanzien..

KERKGEBOD, z. nw., o.. = Bekendmaking in de kerk van een voorgenomen huwelijk. K. conventionis matrimonii promulgatio in ecclesia.

Veroud. zegt V..

Spr. : Zijn kerkgeboden gehad hebben, wordt gezeid van iets welks verkooping openbaar aangekondigd is. Dat huis heeft zijn kerkgeboden gehad.

KERKMEESTER, z. nw., m.. = Lid van den kerkeraad.

Bij V. : « bestuurder, opzichter eener kerk ».

Z. Verdam.

KERKSPREEUW, z. nw., vr.. = (Vogel) Muurzwaluw, Cypselus murarius, martinet de muraille.

Ook kerkzwaalm , steenspreeuw en zichtl.

KERKSTEEN, z. nw., m.. = (Steenbakk.) Groote blauwe, soms roode plavei.

Bij C. : «groote, roode baksteen. »

KERKSTICHEL, z. nw., m.. — Op den kerkstichel aflezen, in 't openbaar aflezen, al lezende bekend maken. Op sommige plaatsen worden verkoopin-

Sluiten