Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = Bende, kudde, vlucht. C. S. R. Een kooi schapen. Er vloog ons een heele kooi patrijzen veurbij. Z. Klad.

Spr. : Er is geen hooi schapen of er loopt een zwart onder.

— = Eendenkooi.

KOOIBOSCH, z. uw., m.. = Verzameling hoornen en struiken die rond de eendenkooi staan. In die boomen wonen de tamme eenden. Zelfs hangt men aan de boomstammen korven om er de vogels gemakkelijk te doen wonen.

KOOIEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Blanderen.

— = Eenden vangen in de kooi. De kooiman kooit. De kooihond helpt kooien.

KOOIGERIEF, z. nw.,o.. = (Eendenkooi) Staken , hoepels, latten, al wat er noodig is om eene kooi te maken of te herstellen.

KOOIGOED, z. nw., o.. = (Eendenk.) Doode eenden wien het keelbeen afgenepen is.

KOOIHOND, z. nw., m.. = (Eendenkooi) Hond die tot het vangen der eenden afgericht is. De kooihond moet ros van haar zijn en zooveel mogelijk op eenen vos gelijken. Op zulken hond zijn de eenden kwaad; zij zwemmen naar hem toe, als hij zich aan den ingang eener pijp vertoont.

KOOIMAN, z. nw., m.. = Hij die de eenden in eene kooi vangt.

KOOIPUT, z. nw., m.. = (Eendenkooi) Groote vijver waar de eenden komen in zwemmen en van waar de wilde door de tamme naar de pijpen gelokt worden. De kooiput moet eenzaam zijn en van alle kanten met bosschen omgeven. Er moet riet in groeien , waar de vogels bij feilen wind of vlagen kunnen schuilen.

KOOISCHUTSEL. z. nw., o.. = (Eendenkooi) Middelste schutsel der kooi. Er is eene opening in van waar de kooiman den vijver afspiedt en dezen tot aan 't einde in oogenschouw nemen kan.

KOOIVOGEL, z. nw., m.. = (Eendenkooi) Tamme eend die tot de kooi behoort.

Ook lokvogel.

KOOK, z. nw., m., (niet vr.). = Het koken. V. D. S. De man is daar met den kook gelast.

KOOKPOT, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. ; Mei den kookpot gelast zijn, moeten koken ; — de man is in dat huis met den kookpot gelast.

KOOL (zachte o), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo rood als een kool vuur, van het wezen. Zoo zwart als een kool, vuil. Op heete kolen zitten of staan, zeer ongeduldig zijn. Het koolken blazen, het gelag betalen , gestraft worden, de schuld dragen.

KOOL (zachte o), z. nw., vr.. = Soort van bloedzweer of pestbuil, die in 't Fr. charbon heet. D.

Ook koolziekte,.

KOOL (scherpe o), z. nw , vr.. — Z. Wdb..

— Oom kool, bijnaam van den haas, bij pensjagers.

KOOLBRANDER (zachte o), z. nw., m.. = Insect, kakkerlak, blatte, D.

Ook ovenbeest.

KOOLDRAGER (zachte o). z. nw., m.. — Z. Kolenlosser.

KOOLKEN VUUR (zachte o), z. nw., o.. = (Kruidk.) Duivelsoog, Adonis oestivalis, A. flammcea, adonide, goutte de sang, fam. Ranunc..

Ook marteleersblom.

KOOLKOT (zachte o), z. nw., o.. = Donkere hoek, klein afdak waar men steenkolen bergt.

KOOLKUIP (zachte o), z. nw., vr.. = (Bakker) Houten kuip waar de kolen uit den bluschpot in verzameld worden.

KOOLLOSSER (zachte o), z. nw., m.. — Z. Kolenlosser.

KOOLPUT (zachte o), z. nw., m„ = Koolmijn, houillère. C. Ze gaan werken in de koolputten.

KOOLSCHIP (zachte o), z. nw., o.. — Algemeene naam van een schip dat met kolen geladen is. Er ligt een koolschip in de kaai.

KOOLSCHIPPER (zachte o), z. nw., m.. = Schipper die op een schip vaart dat met kolen geladen is.

KOOLSCHUP (zachte o), z. nw., vr.. = Schup om kolen mede te scheppen. C.

KOOLSTEK (scherpe o), z. nw., m.. — Koolstronk. C. K. koolsteck, koolstock = caulis brassicce. De koolstekken liggen op den messing te rotten.

KOOLTRIEMER (zachte o), z. nw., m.. = (Schipp.) Werkman die op de groote schepen gelast is met de kolen voor het vuur aan te brengen.

Ook triemer.

Bij C. kooltrimmer.

KOOLZAK (zachte o), z. nw., m.. = Zak waar men de steenkolen in doet, vervoert of verkoopt.

— = Zak die langs de twee kanten voor opening kan dienen en langs den onderkant met eene touw vastgebonden wordt als men hem gebruikt.

KOOLZIEKTE, z. nw.,vr.. = Z. Kool, 2°.

KOOP (scherpe o), z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Gezondheid te koop hebben of dragen, zeer gezond zijn. C. Met iets te koop loopen, het ruchtbaar maken. Goesting is koop.

— Dulle koop. Z. Dul. C.

KOOPELIJK, bijv. nw.. == Kunnende gekocht worden. C. De patatten zijn niet koopelijk , dat ze zoo dier zijn.

KOOPEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Koopen is een gat in den zak, kost geld.

— Een kind koopen, krijgen, van een kind bevallen. C. S.

Sluiten