Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEE D EN . werkw., i.verg.. = Leiden. D. Bij Verdam : Leiden (leden , leeden).

LEEFDIG (zachte e), bijv. nw.. — Z. Levendig. C. Bij R. leefiig.

LEEG (scherpe e). Laag. C. D. S. T. R. K. non altus. Een leege tafel. Die stoel is te leeg. Z. Verdam.

Spr. ; Leeg gezeten is hoog gewarmd.

— Leege wind, zoete, zuidersche wind.

— Leeg water, tegenstelling van hoog water, ebbe. Wij gaan naar Antwerpen met leeg water.

Laag wordt alleen door geletterden in overdrachtelijken zin gebruikt.

LEEG (zachte e), bijv. nw. en bijw.. = Ledig, welke vorm nooit gehoord wordt. V. D. S. Eene leege ton. De kamer is leeg.

Z. Verdam.

Spr. : Leege vaten Kinhen best, veel praats, maar weinig verstand.

— (Boer) Leege koe, niet drachtig. C- T. R.

LEEGE, z. nw., m., in 'tmeerv.. = Partij der spelers die , voor het spel, de laagste kaarten getrokken hebben.

LEEGEN (zachte «>, werkw,, overg.. = Ledigen.

LEEGEN (scherpe e , werkw., onov (zijn). = Lager worden. Het water begint teleegen.

LEEGENS. — Uitroep van den tegenmaat in het marmelspel, die hetzelfde beteekent als lioogens niet, ge moogt, in 't schieten , uwe hand niet opheffen.

Ook leegters en 'eegtjes.

LEEGER, z. nw.,o.. = Leed. D. Laat ze maar kwaadzeggen van mij, dat doet mij geen leeger.

LEEGER, z. nw., o. = (Schipp.) Lager, onveilige plaats , oever waar de wind hevigst op zit. 't Is het tegenovergestelde van opper, veilige plaats. Aan een leeger liggen.

Ook leegerwal.

LEEGERWAL, z., nw., m.. — Z. Leegir.

LEEGGAAN (zachte e), werkw., onov. (hebben). scheidb.. = Geene zaken doen , van zijne renten leven. Veel boeren, als zij een goed sommeken bijeen hebben, verkoopen hun hof en komen naar het dorp om er leeg te gaan.

LEEGGANGER (zachte e), z. nw., m.. = Iemand

die van zijn inkomsten leeft en niet meer werkt. — = Ledigganger ; luiaard.

LEEGHEID (zachte e), z. nw., vr.. = Ledigheid, luiheid.

Spr. . De leegheid is de geesi van de ondeugd.

LEEGLOOPEN (zachte e), werkw., onov.. = Ledigloopen. Z. Wdb..

— = Geen werk kunnen krijgen, 't Was niet uit luiheid dat ik vijf weken leegliep.

LEEGTE (scherpe e), z. nw., vr.. - - Laagte. C. D. S. K. leeghde. Het is verdrietig rijden op die baan ; |; 't zijn allemaal hoogten en leegten.

LEEK (scherpe e), z. nw., ? = (Mandenmak.) Soort kleine wisschen die dienen om tusschen de staken gevlochten te worden en klein werk te maken.

j LEEGTERS, LEEGTJES (scherpe e). — Z. Leegens.

LEELAM (zachter), bijv. nw. en bijw.. = Lui, zwaar in delenden. Die slecht slaapt, staat dikwijls leelam op.

LEELIJK. bijv, nw.. — Z. Wdb., Een leelijke reuk. Iemand leelijk bezien.

Spr. : Zoo leelijk als een martiko, te leelijk om te helpen donderen. Leelijk is ook mode. Dat is leelijk, zei de uil, en hij bekeek zijn jong.

— Leelijke dag. Z. Dag. S.

— Leelijk doen. Z. Doen.

LEELIJKAARD , z. nw., m.* = Leelijke mensch, in eigen of overdrachtelijken zin. C. D. S. O ! gij leelijkaard ! waar hebt gij die vuile manieren geleerd ?

LEELIJKGAWEG. LEELIJKWEG, bijw.. = Ge moest hem daar leelijkgaweg zien kijken hebben, als zijn vader hem dat zei.

LEELIJKTE, z. nw., vr.. = Leelijkheid. D. Ik heb dat kleed weggegeven, alleenlijk veur zijn leelijkte.

LEEM (zachte e), z. nw., vr., meest in 'tmeerv. gebezigd. = Elk houtachtig deelken dat uit het vlas gezwingeld wordt. D. S. K. purgamentum lini. 't Gebeurt dat iemand die begeerde te trouwen , verlaten wordt van zijnen minnaar of van zijne minnares. Als deze dan met iemand anders trouwt, dan strooit men op den trouwdag lemen van aan de kerkdeur tot aan de deur van die verlaten werd. Vandaar lemen strooien en lemen krijgen. D. Z. Leme, bij Verdam.

— = Naaldachtige blaadjes der spar.

Ook sparrelemen. ■

LEEMKOT (zachte e), z. nw., o.. = (Boer) Kleine plaats alleenlijk voor 't bewaren der lemen bestemd.

LEEMMANDE (zachte e), z. nw., vr.. = (Boer) Gewone mande waar men de lemen in laadt.

LEEMMIJT (zachte e), z. nw., vr., = (Boer) Stapel van lemen.

LEEMOEIIG (zachte e), bijv. nw.. = Moedeloos, door ziekte of ander ongeluk.

LEEMZAK (zachter), z. nw., m.. = (Boer) Zak waar men de lemen van het vlas in gaart.

Sluiten