Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L,lXj£k, VtLLEKEN . z. nw„ o.. Fijn vel, vlies 1

aai rona aen sraeerkoek of den nierlcoek der beesten is. liet is zeer goed om op de wonden te leggen.

LIGGEN, werkw. onov., (hebben) Z. Wdb.. Er liggen te Antwerpen veel soldaten. Een student ligt op of in de school. Met iemand in twist, overhoop liggen. Hij heeft het daar leelijk laten

liggen oj Zitten, i emsche ligt aan oj op de Schelde. Daar is niets aan gelegen, als ge dezen avond

uuus Komt- biggen met (niet aan) de mazelen.

— h.en haas ligt waar hij zijn letrer heeft. C S

Liggen met, een werk te verrichten hebben. D. Ik

Jig daar met een horloge die versleten is

— Liggen met, bezitter zijn van iets dat ligt. Ik lig

juei uen gezonde viggens.

Liggen met, hebben, van vogels gezeid. De duiven liggen met eieren. De ekster lag gisteren met

juji^isKens.

Liggen met, hebben , van't weder gezeid. Wij liggen in 't kort met den Winter. Bii D. linnen aan

— Liggen achter, loopen , vervolgen. Die kwade hond

acuter onzen Jan.

(Boer) In den wiedakker liggen, bezig zijn met op

ccneii aKKer net onkruid uit te wieden. '

Aan den deel liggen, eene nalatenschap erven. D. De tante is dood: de nichtjes liggen aan den deel.

— Liggen m, aangespannen zijn, voeren. Het peerd ligt in de kar. De dijker ligt alle dagen in den kruiwagen. De hond ligt in het karreken. In de beerkuip liggen is beer met eene kuip vervoeren.

— De soldaten en de studenten liggen, de priesters de onderwijzers staan ergens. C.

— (Boer) Ergens liggen, i» 0p eenen akker vruchten staan hebben ; — de regen doet kwaad aan de plaats waar gij ligt; 2o er vogels vangen . waar ligt Fons ? ik zou een vink willen koopen.

— Hij is dood waar hij ligt, hij is voorzeker dood.

— Iemand liggens, te slapen, geven of vragen.

— Wordt gebruikt om eenen toestand of eene daad uit te drukken die voortduurt, dikwijls met verachting. C. Hij ligt heele dagen bij de geburen ruzie te maken.

Liggen, wordt bij hebben, evenals loopen, staan zitten, overbodig gebruikt om den toestand van het voorwerp aan te duiden. Ik heb zes schoone tonnen liggen. Hij had vier koeien staan. Wij hebben tien jonge konijnen zitten.

— Lr goed of slecht veur liggen, gerust of bekommerd de toekomst te gemoet gaan. Ik heb mij veur heel den Winter van kolen veurzien, nu lig ik er goed veur.

LIGGER, z. nw.,m.. = (Meulen) Meulensteen die tegenovergestelde van den loopsteen of den looper. C.

Bij V. ook legger.

— Z. Korthout.

(Schipp.) Groot binnenschiD dat haast r,;„t

meer tot varen geschikt is, maar nog gebezigd wordt om de lading van een ander schip tijdelijk over te nemen.

— = (Blikker) Ieder der twee onderste balken waar heel het woelgetuig op rust.

— = (Ziekte) Celachtig gezwel aan den elleboog bij peerden die de gewoonte hebben met de kalkoenen van het vooriizer teeen den 1:

- —^6 ^

De ligger, onverzorgd , kan een kinderhoofd groot worden. Soms ook komt een ligger aan de knieën van koeien en peerden, veroorzaakt door eenen val. D.

Ook slaper.

— (Schipp.) Liggers, taeerv., sterke balken van binnen in't schip. De onderste planken zijn aan de liggersvast.

- = (Wagenmak.) Twee lange balken waar de rusten" ^ inff6werl<t ziin en die op de as

LIGGERACHTIG, bijv. nw.. = Gebosren. niet

recht, van de vruchten gezeid. Uw vlas is liggerachtig. Ons graan, met den regen, is liggerachtig geworden.

LIJ. z. nw., vr.. — Z. Wdb .

- (Schipp.) Onder lij, lagere zijde vaneen varend schip , zijde langs waar het schip min of meer overhelt door de werking van den wind op het zeil. Een schip onder lij voorbijloopen.

- (Schipp.) Boven lij, hoogere zijde van een varend schip.

LIJ(D)EN , werkw. wederk.. = Voortleven, voort

Kunnen, zich behelpen. Met twee boterhammen s avonds kan ik mij gemakkelijk lijden.

LIJF z. nw., o.. - Z. Wdb.. Lijf om lijf vechten.

""ji van mijn lijt. Iemand de dood op 't lijf jagen. Pijn in zijn lijf hebben.

Spr. : Met lijf en ziel aan iemand verkleefd zijn. Lijf en leen hebben, kloek zijn.

— Ingewanden. De koe kruide heur lijf uit.

veraam op lijt, 604, 5, b.

Met levenden lijve, terwiil men leeft 't T» „„1

. v ytat aai'

moezen te doen met levenden lijve.

— (Schipp.) Schip zonder lijf, smal schip.

LIJFKEN, z. nw., o.. •= Borstrok der vrouwen. S. De boerendochters, als zij op 't land werken, doen dikwijls hunne jak uit en staan in hun lijfken met eenen neusdoek daar boven.

Bij V.: « lijfje, bovendeel van een japon keurslijf.» '

Ook onderlijf ken.

LIJFLUIS , z. nw., vr.. = Luis die op 't lichaam van den mensch leeft, pedtculus corporis. C.

LIJFRUI, z. nw„ m.. = (Ziekte) Soort van schurft.

Konu Draiia °P den rug, het haar wordt ruw

Sluiten