Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LÜLLEMAN. z. nw., m.. - Talmer. S. Waarom staat gij daar te kijken ? Ge zijt een oprechte lulleman !

- = Raaspot. V. Gij lulleman met uwen Hauwen zeever altijd.

LULLEN. werkw. onov. (hebben). = Slap en traag zijn in 't werk, geenen voortgang maken. D. S. Als gij zoo blijft lullen, zult gij uw werk vandaag niet afgemaakt hebben.

— Flauwen praat vertellen. V. S. Ik kan niets maken van al wat hij daar lult.

Bij S. ook lollen.

LULLEVERDRIET. z. nw., o.. -■- Onnoozele klap , woorden in den wind.

LULLEVROUW, z. nw., vr.. - Talmster. '

LUNTEREN, Lunderen, leuteren, talmen. V. C. S. Die aan zijn werk luntert, als hij veur andéren bezig is, mag een daghuurdief heeten.

LUT, bijv. nw.. als gezegde. = (Spel) Niets meer hebbende, zonder marmels zonder geld, enz.. Ik en kan niet meer spelen , want ik ben lut.

Ook rul en ruls.

Bij C. luis.

LUTENANT. z. nw., m.. — Luitenant. C.

LUTSELUTSE . bijw.. Zeer traag. Lutselutse over de straat gaan.

LUTSEN, werkw. onov. (hebben). —- Waggelen. zachtjes schokken. D. S. K. lutsen en loteren. '/.iet eens hoe vet hij is, zijn kinne lutst als hij gaat.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

— (aan).: Zachtjes raken. D. Aan de tafel lutsen. Ge meugt aan mij niet meer lutsen of ik sla.

— ; Bedektelijk van iets spreken, eene zaak aanroeren. Ge moogt er niet van lutsen. Lutst :nen keer om te weten of hij te vreden is.

— Roeren , bewegen. Als ge nog durft lutsen , breek ik u de beenen.

Men zegt veel in die beteekenis u lutsen. Die kandidaat heeft zulke felle buis gekregen dat hij hein niet meer zal durven lutsen.

— Pieren lutsen, aardwormen uit den grond doen komen met aan eenen riek die in den grond steekt, te lutsen.

LUTi TE;. z. nw., vr.. — Spotnaam voor vrouwen. C. D. S. Meest gebruikt in dwaze lutte. zatte hitte. en inde samenstellingen ginverlulte, bierlutte. kaffeelutte.

Lut bij V. heet Zuidned..

Sluiten