Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAALDEKENSKRUID, z. nw., o.. — Z. Kranenbek.

NAALDENBED, z. nw., o.. = (Breister) Plaats waar de naalden in gezet worden.

NAALDEfNjKOKER, z. nw., m.. —Z. Koetseneer d. S.

— Z. Ezelseten.

NAALDE(N;WERK, z. nw. , o.. = Naaiwerk. In de school is een meestes veur 't naaldenwerk.

NAALDSPELlLE), z. nw., vr.. — (Kantwerkster) Speld die zeer groot is en dient om de bouten op te steken.

NAAM, z. nw., m.. — Z. Wdb.. Hoe is uw naam ? In (nooit uit) iemands naam iets zeggen. Op iemands naam iets koopen. Ik wil den naam niet hebben van dat gedaan te hebben. Hij heeft den naam , maar zijn knecht heeft de daad.

Spr. : Het kind moet 'nen naam hebben, men moet wel eene valsche reden geven als men de ware niet zeSSen w'l' Die den naam heeft van vroeg op te staan, viag lang slapen. Iemand kennen met naam en toenaam, met naam en stuk, zeer goed. Een goede naam is geld of goud weerd. Verkoopen al wat naam heeft, al wat

bestaat, alles.

— Zijnen naam zetten, zijne handteekening zetten, teekenen.

— Namen geven. Kinderspel. Eenige kinderen staan tegen den muur. A geeft aan ieder der kinderen

eenen naam, aien ze goed moeten onthouden. B zit op eenigen afstand rechtover de kinderen , hij roert met een stoksken op den grond en zingt 't een of ander kinderlied. Wanneer ieder kind zijnen naam heeft, dan komt A bij B en zegt : Haalt er eens uit ! haalt er eens uit ! B gaat naar de kinders en duidt er een aan. Als hij juist geraden heeft, dan moet dat kind bij hem in een rond, zoo hij er niet opis, dan gaat het aangeduide kind in een rond bij A.

Wanneer nu de spelers allen in 't een of 't ander rond staan, geven ze malkander éene hand — elk in zijn rond — en ze zingen allen gelijk : Wij zijn in den hemel en gij zijt in de hel ! —

Als ze zoo eenen tijd lang gezongen hebben , wordt er eene meet gemaakt en ze trekken langs weerskanten om te zien wie eerst over de meet zijn zal. De partij die eerst over de meet geraakt, moet door de kardoes loopen.

NAAR, voorz. =Na, achter. Ik zal naar de vespers bij u kommen.

NAAR , bijw.. = Nabij, dicht. C. D. Ik ben de leste op een naar.

— Iemand te naar komen, hem beleedigen. D.

— Iemand naar zijn, van iemand familie zijn. Die mensch is mij naar , ik moet hem wat helpen.

Z. Naerre 3 bij Verdam.

— = Bijkans. D. Ik schoot en was naar op den hoogsten.

— bijv. nw. = Naast, naburig. C. D. We zijn nare familie onder malkander. Ze zijn nare geburen.

Z. Naerbi] Verdam.

NAAR, 2. nw., m..=Ader. De naars van zijn been zijn geborsten.

NAARBIECHT, z. nw., vr.. = Een kort gebed dat men, na de belijdenis zijner zonden, zegt om vergiffenis en absolutie te vragen over zijne zonden , bekende en onbekende. D.

Bij C. /. aarbicht; bij R. nabiecht.

NAARD, z. nw., m.. — Bernard, Leonard verkort.

Ook Nard.

NAARDAT, voegw.. = Nadat.

NAARDER, bijv. nw., en bijw.. = Nader. D. K. naeder, naerder — proximior. Ik heb geen naarder familie. Ga langs den binnenweg, dat is naarder,

NAARDIEN, bijw.. = Nadien. C. D. S.

— Korts naardien, op het toekomende, weldra, straks. Ik zal korts naardien bij u kommen.

NAARGAAN, werkw. onov. (zijn), - Aangaan, ergens terloops binnengaan , ergens voor eene wijl langs de baan intreden om eenen vriend te groeten, een klein bezoek af te leggen, een weinig te rusten enz.. C. D. S.

Bij R. nadergaan.

— = Treffen, roeren, raken. D. R. Het ongeluk van mijn kind gaat mij naar.

Z. Verdam.

NAARGEVEN . werkw. overg.. — Iemand, iets naargeven, hem van iets verdenken , hem bekwaam achten tot iets. C. 't Is Jan die gestolen heeft; wie zou hem dat naargegeven hebben ?

Altijd in vragende of ontkennende zinnen gebezigd.

Bij R. nageven.

Ook naarzeggen.

NAARKEUNING, z. nw., m.. = (Bieman) Koningin die binnen den Zomer gekweekt is en met den eersten, tweeden of derden nazwerm vertrekt.

NAARKOMMEN, werkw. onov. (zijn). = Voor eene korte wijl ergens binnenkomen C. D. S. Komt eens naar , als de mis uit is.

Bij R. nader komen.

Z. Verdam.

NAARKRIJGEN, werkw. overg.. — Met moeite doen binnenkomen. Naar veel pratens heb ik hem toch bij mij naargekregen.

NAARLA(Ë)N, werkw. overg . — Z. Achteinaarlaën.

Sluiten