Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEET (scherpe e). — Nee(n)'t samengetrokken.

NEFFENST. voorz. en bijw.. = Neffens. Gaat neffens den kasseiweg, daar is 't zacht om gaan.

NEGEN, telw.. - Z.Wdb..

— Dat is een kwade negen, een slecht teeken, eene erge omstandigheid.

NEGENMAN, z. nw., m.. = Kegel die te midden der andere staat. C. D. T. De negenman telt voor negen kegels als hij alleen gespeeld wordt, anders voor twee.

Spr. : Staan gelijk een negenman, niets zeggen.

NEGENMANNEN, werkw. onov. (hebben), onscheidb. = (Bolspel) Den negenman vellen. Ik heb vijf keeren achtereen genegenmand.

NEGENOOG, z. nw. vr.. = (Ziekte) Pestkool. anthrax. Z. Wdb..

NEGE(N)STE, bijv. nw.. = Negende. K. nonus.

Z. Verdam.

NEGE(N)TIENSTE, bijv. nw.. = Negentiende.

Z. Verdam.

NEGEN-URE N)LIJK, z. nw., o.. = Lijkdienst die te negen uren plaats heeft. C.

NEGEN-URE(N)MIS , z. nw., vr.. = Mis die te negen uren begint.

Bij D. negenmis.

NEK. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemand in den nek schappen, iemand bedriegen, foppen. Op iemand zijnen nek zitten, weinig in iemands gezelschap gezocht worden, 2° van iemand kwaad zeggen, het op iemand gemunt hebben. Een groote nek en verre van den kant is gauw van 'tland, spreuk der ploegers. Een nek gelijk een gans , gelijk een reiger, zeer lange hals. Iets van zijnen nek schudden, een moeilijke zaak van zich afweren. Met iemand op den nek zitten, geplaagd zijn met iemand , hemden kost moeten geven, 't Zal in uwen nek vriezen, ge zult mislukken, in uwe verwachting bedrogen zijn.

— = (Pottenbakk.) Hals. De nek van eenen pot.

— = (Boer) Hoek van 't land waar men met den ploeg moeilijk aan kan, zooals een scherpe hoek.

— Nen grooten nek uitrijden, een grooten hoek lands laten liggen in 't ploegen , die dan gewoonlijk gespit wordt.

— = (Wev.)Deel ketingtusschen vitseroe en platroe.

— Z. Afrijden.

— = (Smid) Hals, deel der stoof dat juist boven de kas is en den pot draagt.

NEKKEPUT. z. nw., m . = (Vleeschh.) Plaats in den nek waar de beest gestoken wordt, als men ze met den grooten hamer niet slaat.

NELE, NELIA. z. nw., vr.. — Cornelia verkort.

NELIS, z. nw., m.. = Cornelis. S.

NELLE.z. nw., vr.. = Petronella. S.

Spr. ; Dag, Nelle I zegt men spottend tot iemand die een onredelijk voorstel doet.

NEM. — Oudeenkelv. 2de pers. der gebiedende wijze van nemen, en beteekenende tiens, voild. D. Nem, daar is een duitje.

— Ook als uitroep van verwondering of van spijt.

D. Nem ! die zou willen rijk worden zonder werken !

Bij C. ne.

Ook nim.

NEMEER, bijw.. = Niet meer. C. Ik zal't nooit nemeer doen , vergeef het mij.

Z. Verdam.

NEMEN . werk. overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Ge moet hunnen geven en nemen, inschikkelijk zijn.

— = Aannemen , veronderstellen. T. R. Neem nu dat ge nen frank de honderd kilos wint, is dat niet genoeg ?

NEN. lidw., m. enkelv.. —Wordt gebruikt wanneer het onmiddellijk volgend woord begint met b. d, h, t of eenen klinker. C. D. S.

Zie Spraakl. bl. 28 , nr 26.

NENNEN , werkw. onov. (hebben). = Noenstonden, een noenslaapken doen, faire la mèridienne. D. Ook noenen.

NERFT, NERFTKANT, z. nw., m.. = Nerf. C.

Z. Haarkant.

NERING (zachte?), z. nw., vr.. = (Schipp.) Neer, tegenstroom.

NEST, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. Een nest van een stadje. C. S. T. R.

Bij Verdam m..

Spr. : Ge zult mij uit den nest niet langen, niet bedriegen. Zijn handen op'nen ijlen nest leggen, niets vinden waar men meende iets of veel te bekomen, gelijk bij eene erfenis. Op Dendermonde : 't Is er een nest, 't dondert er eerst en 't regent er lest. Ge hebt altijd eieren, jongen of kiekens in den nest, op iemand die gedurig over 't een of 't ander klaagt, die altijd pijn heeft, enz, Op 't kantje van den nest zitten, Z. Kantje.

— = Nestvol, broedsel. Een nest jonge ratten.

— Het verachting op een huishouden, een genootschap , enz.. Gaat in dat huis niet, 't is maar een nest. Dat fabriek is een nest, al de meiskens worden er bedorven.

— = (Bieman) Plaats waar de bieën in hunnen korf doorwinteren. Die plaats wordt na den Winter den broednest, omdat daar de koningin het eierleggen begint.

— Vuile nest, ie kwade vergaring , misval. 2e Z. lek.

— = Bed , gemeenzaam. Ik trek naar mijnen nest. Hij lag al vroeg in zijnen nest.

Plat bij V..

Sluiten