Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O VERSCHAVEN. werkw., overg., onsch.. = Over de heele oppervlakte schaven. C.

Bij V. scheidb..

OVERSCHIETEN, werkw., overg. en onov. (zijn), scheidb.. — Z. Wdb..

Spr. : Ge zijt er niet te veel, maar ge schiet er over, schertsend voor : wij kunnen u missen.

— overg., onsch.. = (Boer) Aarde uit de voren over de gewinden werpen. C. D. S. Nen akker overschieten.

OVERSCHIETSPA(DE). z, nw, vr.. — Z. Ertspade.

OVERSCHOEFELEN, werkw., overg., onsch.. = Uit begeerlijkheid of gulzigheid maken dat iemand geen voedsel heeft. C. 't Een verken over'schoefelt dikwijls 't ander.

OVERSCHOT, z. nw., m. (nieto.). — Z. Wdb. C. D. S. T. R.

— Geenen overschot hebben, nauwelijks genoeg hebben. C. Ik verdien mijnen kost, maar ik heb geenen overschot. Steek de stoof wat aan, want ik heb geenen overschot (van warmte).

— Overschot van gelijk hebben , ten volle gelijk hebben. C.

Gewest, bij V..

— Op den overschot zitten oier op den overschot zijn, niet geteld worden, kunnen gemist worden.

OVERSCHRIKKELEN . werkw., overg., scheidb.. = Overslaan, achterlaten. C. D. S. Ik heb twee keeren zijnen naam overgeschrikkeld, omdat hij niet tegenwoordig was.

Ook overschrikken.

O VERSCHRIKKEN, werkw., overg., scheidb.. — Z. Overschrikkelen. K. frrcetermittere.

OVERSCHROBBEN, werkw., overg., onsch.. —Over het gansche voorwerp schrobben. C. T.

O VERSHAND SfCH)EN, werkw., overg., onsch.. — (Kleermak.) Z. Overhandschen.

OVERSJAK. — Soort van schreefkenschieten, maar al de centen knoppen of schotelkens die over de schreef komen, zijn voor den oprooier of voor die dichtst bij de lijn geschoten heeft. Willen wij wat oversjak doen ?

OVERS JAKKEN, werkw., onov. (hebben), scheidb.. = (Kindersp.) Het spel oversjak doen. Wij hebben een geheele uur overgesjakt.

OVERSLAG, z. nw.,m.. = (Schipp.) Plank die dwars over een schip gelegd wordt om daar over te rijden bij het laden van steen.

— = (Wev.) Platte stof met weinig ketting en veel inslag.

OVERSLAGEN, werkw., overg., onsch.. = Overslaan.

— overg., scheidb.. = (Schipp.) Overladen. Wij moeten die vracht overslagen.

O VERSLODDEREN, werkw., overg., onsch.. = (Boer) Overtrappelen, met de klompen vasttrappen en hier en daar eenen kluit breken. Nen akker overslodderen.

OVERSNUFFELEN, werkw., overg., onsch.. = Al snuffelende geheel onderzoeken. C. D. S. De hond oversnuffelde heel de muur.

Ook oversnuisteren.

OVERSNUISTEREN. werkw., overg., onsch.. — Z. Oversnuffelen. D. S.

OVERSPANNER. z. nw., m.. = (Timmerm.) Zeer groote handvijs.

OVERSPEETEN, werkw., overg., scheidb.. = Overgieten , in een ander vat of zak gieten. Nen zak kalk in 'nen tobben overspeeten.

OVERSPETTEN, werkw., overg., onsch.. = Overspitten.

OVERSPRINKELEN. werkw., overg., onsch..

= Oversprenkelen.

OVERSTAAN, werkw., overg.. onsch.. =Gedulden , toelaten. Dat hij zoo streng is veur dat kind , en kan ik niet overstaan.

Ook overstappen.

OVERSTAMPEN, werkw., overg., onsch.. = Over het geheele voorwerp stampen. T.

OVERSTAPPEN, werkw., overg., scheidb. en onsch.. — Z. Overstaan.

Bij V. scheidb..

OVERSTEEK (zachte «), z. nw., m.. = Frak die men boven de andere kleederen aandoet, overjas.

— := (Timm.) Onderste deel van een dak dat over den muur hangt en het regenwater voorwaarts van den muur afwerpt. C.

— = (Timm.) Afdak dat zonder ondersteun afhangt aan den gevel van een boerenhuis of van eene schuur.

OVERSTEKEN, werkw., overg., onsch.. — (Kleerm.) Het hnopgat oversteken, den persdraad vastnaaien om het uitvezelen der stof te beletten.

— onov. (zijn) Z. Overkommen.

OVERSTENKOP. — T'overstenkop, tot over den kop. Hij viel t'overstenkop in 't water. Hij zit t'overstenkop in de schulden. Ik meende dat uw zeun er hem uitgelot had , maar hij is er t'oversten kop in.

OVERSTIKKEN. werkw., overg.. sch.. = (Kleermak.) Nevens den naad nog eens naaien. De naden van eenen overfrak worden dikwijls overgestikt.

OVERSTRALEN, werkw., overg., onsch.. Overal steken. De bieën hebben heel zijn wezen overstraald.

Sluiten