Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—. = (Boer) Drij schooven graan , het gat wijd vaneen en den kop bijeen.

PIKKELBAL, z. nw., m.. = Bal dien de meiskens in het bikkelspel bezigen. S.

PIKKELBEEN, z. nw., o.. = Mank of krom been. C.

PIKKELBEENEN , werkw., onov. (hebben). = Gebrekkelijk gaan. Die kromme pikkelbeent alle dagen naar de markt.

PIKKELEN, werkw., onov. (hebben). = Moeilijk, aardig gaan. C. T. R. Die man pikkelt over de straat: hij gaat mank.

— = Met de bikkels spelen. C. S. De meiskens pikkelen gewoonlijk.

Zuidned. bij V..

— De meiskens pikkelen getweeën met 4 pikkels en een elastieken kaatsbal. A neemt de pikkels in de hand , werpt den bol omhoog , smijt de vier pikpels neer en roept : in mijn eerstes ! De bal valt neer en, terwijl hij opspringt, zet A den eersten pikkel recht — vervolgens den tweeden , den derden en den vierden. Nu roept A in mijn tweedes ! en keert, terwijl zij den bal omhoogwerpt en deze weer opspringt, de twee eerste pikkels 't onderste boven, — vervolgens den tweeden en den derden, den derden en den vierden. — A roept weer in mijn derdes ! en keert 1, 2 en 3 om, dan 2, 3 en 4. — A roept in mijn vierdes I en keert in eens de 4 pikkels om. — In mijn neerleggers ! en A legt een voor een de pikkels neer ! — in mijn rechtzetters ! en A zet weer een voor een de pikkels recht. — In mijn ruggers ! roept A en keert nu de pikkels een voor een om met den rug omhoog. — In mijn putters ! roept A en legt nu de pikkels, een voor een, met den put omhoog. — Nu is het weer in mijn rechtzetters I — A roept in mijn mingeldemangels / en neemt tusschen de twee eerste vingers den eersten pikkel, tusschen den tweeden en den derden vinger den tweeden pikkel, maar oplettende dat de eerste al uit de vingers is, als ze den tweeden vastneemt — zoo met den derden, en den vierden keert zij om. Nu is 't van in mijn mondjekussers / en A moet nu een voor een de pikkels eens aan den mond brengen en weer op hunne plaats zetten. — In mijn vuistenpakkers ! ieder pikkel wordt in de vuist genepen en neergezet. — in tnijn tikketakkers! met iederen pikkel eens getiktakt en hem dan neergezet. — In mijn hertekloppers ! Ieder pikkel wordt vastgenomen en eens tegen de borst geslagen.

't Spel is uit ; men zet de pikkels weer bijeen en van her. — 't Spreekt vanzelf dat eene speelster het heel zelden tot het einde kan volhouden ; want het is zeer vlug en behendig te zijn. Als de pikkel omvalt, als men naar den pikkel moet tasten , als men onder 't spelen een anderen pikkel aanraakt, als de bal wegrolt, is men telkens verloren.

PIKKELING. z. nw., m.. —Z. Leg. D. S.

Bij D. enS. ook pikkerling.

Zuidned. bij V..

PIKKELKEI. z. nw., m.. = Witte kei die de gedaante heeft van eenen bikkel.

PIKKELSTOEL, z. nw., m.. = Stoel zonder leuning. S.

Zuidned. bij V..

PIKKEN, werkw.. overg . = (Schipp.) Meteenen haak grijpen. De man was op het punt te verdrinken, toen ik hem kost pikken en boven water trekken.

— = Met eenen haak vasthechten. Pikt de eene keting aan de andere.

— = (Boer) Met de pik afmaaien. V. Graan pikken.

PIKKEN [i = ie kort), werkw., overg.. = Steken, prikken. C. S. R. K. stimulare, lancinare. Een tingel pikt. Raakt aan die dorens niet, ze zullen u pikken,

— = Bedektelijk kwetsen, beleedigen. V. Eerst tretert ge mij, en dan begint ge mij te pikken.

— = Heimelijk wegsnappen. C. S. R. Die pikt, is een dief. Wie heeft er mijn pen gepikt ?

PIKKER (ook pieker, ie kort), z. nw., m.. Verschillende soorten van carduus. C.

Ook steker.

PIKKETIJN. z. nw., o.. Oude maat. Er gaan acht pikketijnen in een maat. Een pikketijn

haver.

— _-= Spotnaam uit ontevredenheid, afkeer of afgunst aan vrouwenmenschen gegeven. Laat mij gerust, gij onverdraaglijk pikketijn.

PIKWERF, z. nw., vr.. = (Boer) Stok of steel der pik. C. T. R.

Bij D. en S. pikkewerf.

PILAAN. z. nw., m.. = Plaanboom , plataan.

Bij D. pelaan.

PILLE (i = ie kort.), z. nw., v.. - - Klein lellend stuk. Een pille vleesch of vet.

— = Klonter. In dikken pap liggen dikwijls pillen in.

PILLEKENSSMOUT, z. nw., o.. = Smout , vet waar pillekens in liggen.

PILLEMIJN. — Z. Pinnemijn.

PILLEMUTS , z. nw., vr.. = Pinnemuts, mansslaapmuts.

PILLEj'NPAP. z. nw., m.. — Melkpap met pillen in.

PIMPAMPOOREKEN. z. nw., o.. = Zonnekever , pimpampoen. Kinderliedje : Pimpampooreken Kruipt op 't kooreken.

Vliegt overal,

Wijst mij 't pleksken Waarda'k sterven zal.

Sluiten