Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHOOFSTUK, z. nw., o.. — Z. Schofstuk.

SCHOOFTIJD, z. nw., m.. —Z. Schoftijd.

SCHOOFZAK. z. nw., m.. — Zaksken waar de landwerkers hunne boterhammen in bewaren.

SCHOOI, z. nw., m.. — Z. Wdb.. •

Gep. woord. : Van schooi en diefte leven.

SCHOOIDAG, z. nw., m.. = Bedeldag. De Vrijdag is de schooidag te Sint-Niklaas.

SCHOOL (zachte o), z. nw., vr.. — Scholastica verkort.

SCHOOL (zachte o), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Uit de school klappen , geheimen vertellen. De ondervinding is de beste school of om geleerd te zijn, moet ge naar de school gaan.

— In of op school liggen, i° op school zijn , 2° in de gevangenis zitten.

SCHOOLGERIEF, z. nw,, o.. - Schoolbenoodigdheden.

SCHOOLHOF, z. nw., o.. = Speelplaats der school.

SCHOOLMEESTERIJ, z. nw,. vr . = Onderwijzerschap,

SCHOON, bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr.: Die ziet maar de helft van het schoon weer, die zoekt of ziet niet goed , die trekt zich veel zaken niet aan. 't Is schoon dat eeuwig blinkt, maar vuil dat eeuwig stinkt. Schoont kleeren werken niet. Schoon weer spelen met andermans geld, verkwistend leven. 't Is spijtig dat schoon weer schade doet, zegt men. als het langdurig zonnig weer de vruchten doet kwijnen. De schoonste meiskens zijn de vuilste vrouwen. Zoo schoon als een engel, als een beeldeken.

— = Fraai gekleed, opgeschikt. C. Ge zijt zoo schoon vandaag, is er iets bezonders te doen ?

— Het schoon hebben. Z. Het. C. D.

— Het gat schoon hebben of zien, eene gunstige gelegenheid zien. D.

Wordt bijna altijd gebruikt als er sprake is'van vluchten. Hij maakte hem van kant zoo gauw als hij 't gat schoon zag.

— bijw.. = Netjes, fijn, ferm, schertsende. C. Hij is er schoon van onder getrokken zonder zijn schulden te betalen. Hij heeft mij schoon twee uren laten schilderen.

— Schoon spreken, met beleefde woorden smeeken. C. D. Hij zal misschien luisteren, als ge hem schoon spreekt.

— Schoon klappen, mooi praten. C.

— Iets schoon, op zijn schoonste, te zijnen schoonste uitleggen , te zijnen voordeele.

— = Licht, gemakkelijk. C. D. Ge moet niet lachen, dat kan heel schoon gebeuren.

Meest altijd met kunnen gebezigd.

SCHOONDOEN, werkw., overg., scheidb.. = (Boer) Het vlas schoondoen, het vlas een weinig

schrepen en dan opzwingelen. Na het schoondoen wordt het vlas opgebonden en gewogen.

Bij D. schoonmaken.

SCHOONE. z. nw., m. en vr.. — Ge zijt een schoone, schertsend gezeid om te berispen. C. D. R. Ge zijt een schoone, gij, ge laat mij hier twee uren naar u wachten !

— vr. = Dwaze daad, dom gezegde. Ik u bedanken omdat ik u 'nen dienst bewees, dat ware een schoone.

— o. — In 't schoon schrijven, in 't net. C. T.

SCHOONE BIJ DAGE. z. nw., vr.. —Z. Bonjourkens.

SCHOONE BIJ NACHTE, z. nw., vr.. — Z. Bijnachten

SCHOONE IEFFER. z. nw., vr.. — Soort van peer, langwerpig, een weinig blozend, goed van smaak, lang bewarend.

SCHOONE VROUW, z. nw., vr.. — Zi Jodenkop.

— Z. Nachtschade

SCHOONHEID, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : De schoonheid zal verdwijnen en de deugd zal blijven schijnen. De schoonheid reur een vrouw is de minste begaafdheid.

SCHOONIGHEID, z.nw, vr.. = Schoonheid. C. Hij is met zijnen hoed deur den regen gegaan en al de schoonigheid is er af. 't Is wat nieuws, de schoonigheid zal er gauw van af zijn.

SCHOONKRIJGELIJK, bijv. nw., = Kunnende schoongemaakt worden. Het vlas is niet schoonkrijgelijk.

SCHOONMAAKSEL, z. nw., o.. = (Verlosk.) Nageboorte , secondines. D. S.

Spr. : Stinken gelijk een rot schoonmaaksel.

SCHOO(N)MAAKSELKRUID , z. nw., o.. = (Kruidk.) Artemisia vulgaris , armoise commune, fam. Comp.. D. geeft, onder andere, roodsteeldi bijvoet en zoete alsem.

Ook Vlaamsche bijvoet.

SCHOONMAKEN, werkw., overg.. = Opschikken, sieren. C. Mieken, wie heeft er u vandaag zoo schoongemaakt ?

— = Zuiveren. Z. Wdb.. Zaad, visch schoonmaken.

— onov. (hebben). — Van de nageboorte ontlast zijn, van koeien gezeid. D. S. Ons koe heeft schoongemaakt.

SCHOONRIJVEN, werkw.. overg.. = Effen, reinrijven. Den hof schoonrijven.

SCHOOR (scherpe o), z. nw., o.. = Schor, kleine meersch gelegen tusschen een grooten dijk en een water of een kleineren dijk. S. K. alluvio.

Z. ook Binnenschoor en Buitenschoor.

Sluiten