Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Niet geteld worden, weinig geacht worden. C. Hij wordt op de gemeente niet veel geteld.

TELNOOT, z. nw., vr.. = Noot die men op den hoop toegeeft. Als ge twaalf noten koopt, krijgt ge er een telnoot bij.

TELRAAM, z, nw., vr. (niet o.). — Raam met tien ijzerdraden waarop tien houten bollekens schuiven en waar de kinderen in de school leeren op rekenen. C.

TELRIET, z. nw., o . = (Wev.) Zwart riet dat bij elke honderd tanden geplaatst is om de hoeveelheid per meter te weten.

TELSPREUKEN :

Hier komt schipper de Keizer aan,

Twaalf en acht is twintig ,

Vrienden , wilt mij wel verstaan,

Hier moet een en dertig staan.

leken, bieken , berkenhout,

Wie spreekt er al zoo stout ?

Wie zal zeggen dat ik lieg ?

Wie wilt wetten voor een vlieg,

Wie wilt wetten voor een vaan Dat er twintig schreefkens staan ?

Een,

Ik stond op steen ;

Twee,

Ik brak mijn been ;

Drij,

Ik at 'nen boterham mee een ei ;

Vier,

Ik dronk een potje van 't beste bier ;

Vijf,

De wijven zullen gaan kijven ;

Zes

Trok zijn mes ;

Zeven Stond te beven ;

Acht Stond de wacht;

Negen Kwam mij tegen;

Tien,

Hebde geen zotten met bellen gezien ?

Elf]

Stond vantself;

Twelf

Sprong over den hooischelf;

Dertien, wat zonde gij liever dragen Veertien , zeven kruisen of zeven vanen ? Vijftien , heilig manneken, wa dede gij hier ? Zestien, nootjes kraken veur mijn plezier. Zeventien , wa zulle gij met die schelpkens doen ? Achttien, er een vierken over stoken , Negentien, er een kruisken over maken. Twintig, wat zulle gij mee die asschen doen ?

Een en twintig, aan de paters geven,

Twee en twintig. en er een misken veur doen lezen.

Drij en twintig, wa zulle ge mee dat misken doen ?

Vier en twintig , naar den Hemel dragen ,

Vijf en twintig, want ge zult er mee geen schoenen

[of kousen in geraken.

TEM. bijv. nw. en bijw.. = Tam. D. S. K. cicur. O. Mijn musch is zeer tem. Een vink kunt ge moeilijk tem krijgen.

TEME , TEMIE, z. nw., vr.. = Kuur, vlaag. Als een zot kwaad wordt, krijgt hij zijn teme.

TEMMER, TEMMERHOUT. TEMMERMAN. enz.. — Z. Timmer. K. temmeren.

TEMPEEST (scherpe e), z. nw., o.. = Storm, orkaan. C.

Veroud. bij V..

TEMPEESTEN, werkw., onov. (hebben). = Stormen. C. Het heeft heel dezen nacht getempeest.

Veroud. bij V..

— = Razen , tieren. C. Als hij thuis komt, begint hij tegen zijn vrouw te kijven en te tempeesten.

Veroud. bij V..

TEMPEL, z. nw., m.. = (Wever) Spantuig bestaande uit twee platte riggels met pezen aaneengevoegd en aan de uiteinden bezet met scherpe punten of tanden , dienende om het goed op het getouw opengespannen te houden in de breedte als men weeft, temple , templu. V. C. D.

TEMPER, z. nw., m.. = Dun beslag van meelbloem, water of melk, om pap te maken, wafels of koeken te bakken, enz.. D. S. De pap zal gauw gereed zijn , de temper is al gemaakt.

TEMPTEEREN. werkw., overg.. = Plagen. Z. Wdb..

TEMPTEERSTOK, z. nw., m.. = Plager. S.

TEMST, z. nw., vr.. = Teems, haarzeef. C. S. T. R. K. cribum.

TEMST, z. nw., o.. = Temsche, gemeente van 't land van Waas. Te Temst ligt er een schoone brug over de Schelde.

Spr. : Het gaat veuruit gelijk 't muziek van Temst, (daar is een fluitje bijgekomen), al schertsende op iets dat weinig of niet vordert.

TEMSTENEER (zware e), z. nw., m.. = Inwoner van Temsche. De Temsteneers lachen geren met die van Sint-Niklaas.

— = Stoomboot die van Temsche naar Antwerpen vaart. Wij veren met den Temsteneer deur en komen af met den ijzeren weg.

— = Zekere soort van patatten , net, rond, blauw.

TEN, bijw.. = Dan. Als hij een half uur gewerkt had, ten trok hij naar de herberg.

TEN, voorz.. — Wordt gebruikt in stee van te, vóór de namen der uren die met eenen klinker of

Sluiten