Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = Uitcijferen, uitrekenen D. S. T. R. Trek eens uit hoeveel ik u nu betalen moet.

— Er iemand of » uittrekken, bij de militieloting een nummer trekken waardoor men van den dienst vrij is.

— (Pierspel) Twee of meer spelers staan gereed om een spel te pieren. Een gelijk aantal andere spelers komen tegen de eerste spelers op ; deze spelen dan samen. De tegenpartij heeft de ie spelers uitgetrokken.

— Z. Rooven.C. S.

UITTROUWEN, werkw., onov. {zijn). — Wordt gezeid van iemand die , ergens in. dienst of in een huis zijnde, trouwt en zoo, met het huwelijk , dien dienst of dat huis verlaat. C. S.

UITTURVEN , werkw., overg.. = Van turf ontdoen. Leege weiden zijn meestal uitgeturfde gronden.

UITVAART, z. nw., vr.. = Plechtige lijkdienst, obscques.

Men verstaat er gemeenlijk alleen den dienst door zonder de begrafenis. C. S. Wanneer zinking en uitvaart samen plaats hebben , zegt men veel: uitvaart op 't lijk.

— = Laatste dag der kermis. C. T. R.

UITVAGEN, werkw., overg.. = Uitvegen. D. Het huis uitvagen.

UITVAL, z. nw., m.. = Uitslag, afloop. C. D. S. R. De zaak gaat nu goed veuruit, maar ik ben toch niet gerust over den uitval.

UITVALLEN, werkw., onov. (zijn). — Er uitvallen. Z. Deurvallen.

— = Uitvaren. V..

Spr. : Uitvallen gelijk etn bleekershond, hevig en plotseling uitvaren.

— Op goed valle 't uit, op goed geluk af. C.

UITVANGEN , werkw., overg.. = Doen, verrichten , bedrijven. Jan zit in de achterplaats, God weet wat hij ginder uitvangt.

UIT VERVEN , werkw., overg.. = Al de bevatte verf gebruiken, S. Heel den pot of den borstel uitverven.

— = Door verven wegnemen. De letters die op de muren staan , moet ge schoon uitverven.

UIT VIJZEN, werkw., overg.. = Uitschroeven. C. Vijst de lamp uit in den winkel.

— — Nauw onderzoeken. Wij zullen die zaak eens uitvijzen.

— onow. (hebben). = Hard loopen , snel voortgaan, zich uit de voeten maken.

UITVISS(CH)EN, werkw., overg.. '= Slim te weten komen. V..

UIT VLAGEN. werkw., onov. (zijn). = Ophouden schen.

van buiig te zijn, uitbuien. D. S. Wij gaan wandelen, 't is uitgevlaagd.

— Ook wederk.. 't Zal hem uitvlagen.

UITVLIEGEN, werkw., onov. (zijn). = Door den wind uitgerukt worden. C. T. R. Daar zijn veel boomen dezen nacht uitgevlogen.

— = Door den wind of anders losgerukt of gebroken worden. Al de ruiten van de vensters vlogen uit.

— De deur uitvliegen, weggejaagd worden. C. Als hij hier nog komt, zal hij met klank de deur uitvliegen.

— = Gaan wandelen, van huis afwezig zijn. C. Als hij wat leegen tijd heeft, vliegt hij nogal uit.

UITVLOEIEN, werkw., overg.. = (Dijkw.) Bij middel van een schip uit den grond trekken. Een paal moet weder uit den grond gehaald worden. Waar zulks mogelijk is, gebruiken ze daar een schip voor. Bij laag water maken ze den paal dicht aan het schip vast. Door het gedurig stijgen van het water wil het schip hooger en hooger, waardoor de spankracht tusschen schip en paal gedurig vermeerdert en zoo groot worat dat deze laatste beweegt en omhoogschuift.

UITVLUCHT, z. nw., m. (niet vr.). = Aanloop , loop, «toi. Zijnen uitvlucht nemen om over 'nen gracht te springen.

— = Voorwendsel. V..

Mann. bij C. T. en R.

UITVLUCHTSEL. z. nw., o.. = Ongegronde verontschuldiging, uitvlucht. C. D. S.

UITVOELEN, werkw., overg.. = Geheel doorzoeken met de hand , zoeken al voelende wat er in een voorwerp zit. Ik heb mijn zakken uitgevoeld om te zien of er in het een of ander hoeksken nog geen eens zat.

UITVOEREN, werkw., overg.. = Met een voertuig wegbrengen. T. R. Brood uitvoeren naar de kalanten.

Bij V. : buitenslands voeren.

UITVOETEN, werkw., overg.. — Z. Achtervoeten.

UITVRIEZEN. werkw., onov. (zijn\. = Door vriezen verdwijnen of geledigd worden. S. De voegen der versche muren vriezen in den Winter gewoonlijk uit. De regenput is heel en gansch uitgevrozen.

UITWAAIEN, werkw., onov. (zijn). — Door den wind uitgerukt worden. C. T. R. De ruiten , de boomen waaien soms uit.

UITWALMEN, werkw., overg.. — Z. Uitbranden.

UITWAS , z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

UITWASS(CH)EN , werkw., overg.. — Z. Wdb.. Vuil lijnwaad uitwasschen. Een wonde uitwas-

Sluiten