Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAAG, z. nw., vr.. — Z. Flink. D. S.

VAAG. bijv nw.. = Woest, onbewerkt, onbebouwd. C. D. S. Op vagen grond worden geen vruchten gewonnen. In 't land van Waas, waar vroeger bosschen stonden , ligt veel grond vaag.

— z. nw., vr.. = Grond, akker die vaag, onbebouwd ligt. D S.

VAAK, z nw., m.. — Z Wdb..

Spr : Tussclun vaak en slaap, half slapende. half wakker Praatjes tegen (niet voori den vaak. Vaak tusschen zijn tanden hebben . honger hebben.

VAAKLUIZEN, z. nw., vr., meerv.. — Vaaklui- \ zen hebben, tot kinderen gezeid , die door den vaak gekwollen worden en lastig zijn. C. S. T.

VAAM. z. nw', vr. (niet m.). = Z. Wdb.. C. D. T. R.

VAAN, z. nw., m.. = Bij de kleine kinderen, vader.

VAAN, z. nw.. vr.. — Kerkbanier standaard. C. D. K. vaene, kerckvaene, vexiUum sacrum.

Spr. : De nieuwe pastoor wierd ingehaald met kruisen en vanen , met eenen stoet.

— = Hemdsslip. C. S. Hij liep buiten in zijn vliegende vaan.

Spr. : Het vaantje steekt uit, 't is kermis, tot iemand wiens hemdsslip uit zijne broek hangt.

VAAR, z. nw., m.. = Vader. Z. Wdb..

— Wordt maar gebruikt in zeer platte taal en om met verachting te spreken. C.

Spr. : Een haarken (bij V. aartje) van zijn vaarhn hebben.

VAARDEFLIKKER, z. nw., m.. = Leugenaar, fopper.

VAART. z. nw.. vr.. — In de spr. : De vaart spannen , snel , strak kijken, de oogen openzetten. Spant de vaart eens goed om te zien of de boot nog niet komt.

VAARWATER, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : In iemands vaarwater zitten , iemand onderkruipen.

VAARWEL, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C.

VAATKORF. z. nw., m.. = (Bieman) Korf die gebruikt wordt om zwermen te vaten.

VACHT. z. nw., o. — Z. F acht.

VADDER, bijv. nw. en hijw.. = Slap, half gesmol en door 't warm weder, van het vleesch gezeid. In den Zomer is het spek en de vette heps dikwijls vadder.

VADDIG. bijv. nw. en bijw.. = Vadsig , lui, indolent. C. D. S. K. ignavus, piger. Vaddig zijn. 't Is lui en va-ddig weder.

VADDIGAARD, z. nw., m.. = Die vaddig is.

VADDIGHEID, z. nw., vr.. = Vads gheid , luiheid. D. K. ignavia, pigritia.

VADER. z. nw., m.. — Z. Wdb .

— (Tritsspel; Met vaders handje smijten , met de rechterhand.

— = Die een re< ht of voorrecht geeft aan een ander, auctor. Ik lijd hier al twintig jaar over dezen akker, vraag het maar aan gebuur Jan die mijn vader is.

Sluiten