Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VROUWBOOR (scherpe 0), z. nw., vr.. = (Blokmak.) Boor die wat grooter is dan de veurganger en dient om de vrouwblokken uit te halen en te schrooien.

VROU WEjNTRAAN, z. nw., m.. — In de spr. : Vrouwentranen zijn goedkoop, de vrouwen weenen licht.

VROUWKENSHUIS, z. nw, vr.. = Oudevrouwenhuis.

VROUWKENSZATERDA6, z. nw., m.. — Z. Mannekensmaandag.

VROUWMENS(CH). z. nw., o.. = Vrouw.

Dit woord bezigt men hier alle dagen zonder de minste geringschatting. C.

VROUAVSPERSOON (scherpe 0), z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

Wordt zonder minachting gebezigd.

VRUCHTBARIG, bijv. nw.. — Loonend, veel opleverend. D. Het land spitten, al is 't lastig, is toch heel vruchtbarig.

VUIL, bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo vuil als'een tang. Dat zijn vuile papieren, die zaak deugt niet. De eene is vuile boter en de ander vuile visch of vuil vet, beiden deugen niet. De vuilste verhens willen in 't schoonste stroo slapen. Z. Verken, levers met de vuile voeten deurgaan. Z. Voet.

— Vuile boer, wiens land vol onkruid staat. C.

— = Donker, van kleuren gezeid.

VUIL, z. nw., o.. — Z. Wdb..

— Het ruil van de straat, i° vuilnis, 2" gepeupel, gespuis.

— Oud vuil, oud nieuws. C. R.

— Dat is geen klein vuil, dat is eene moeilijke, netelige zaak.

— In iets of iemand geen vuil zien, geen kwaad, geen gevaar. Hij ziet geen vuil in zijnen zeun , al verteert hij zooveel geld.

— In 't ruil schrijven, in klad. T.

— Tegen 't vuil kunnen, van stoffen gezeid waar stof of onreinheid weinig op zichtbaar zijn. C.

— = Onkruid in 't algemeen. C. De akker staat vol vuil.

— Z. Schoonmaaksel. De koe heeft niet kunnen schoonmaken , ze staat nog met het vuil.

Bij C. vuiligheid.

VUILAARD, z. nw., m.. = Vuilik. C. S.

Ook vuilpot.

VUILBAK, z. nw., m.. = Vuilnisbak.

VUILBEULING. z. nw., m.. = Smeerlap, jongen die in zijne handelingen vuil is.

VUILBLIK, z. nw., o.. = Vuilnisblik. D. S.

— = Gemeen vrouwspersoon.

VUILBOER. z. nw., m.. = Boer in wiens akkers veel onkruid staat.

VUILDERIK, z. nw., m.. — Z. Vuilaard.

Zuidned. bij V..

VUILGAWEG, VUILWEG, bijw.. — Durft ge zoo vuilgaweg over de straat gaan ?

VUILHOEK. z. nw., m.. = Vuilnishoek.

VUILIGHEID, z. nw., vr.. = Vuilheid. V..

— = Vuilnis. V. C. Daar ligt vuiligheid van 'nen hond veur de deur.

— = Ongedierte. C. R. Die arme menschen vergaan van de vuiligheid. Hebt ge vuiligheid ? omdat ge altijd in uw haar krabt.

— = Onkruid. C. T. R. Op dien akker staat alle soort van vuiligheid.

VUILKAR, z. nw., vr.. = Vuilniskar.

VUILKOT. z. nw., o.. = Afgezonderde overdekte plaats waar men de vagelingen en 't ander vuil werpt.

VUILMAKEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— = Bekladden, belasteren.

Spr. : Ge wordt niet vuilgemaakt als van 'nen vuilen of 'nen zwarten pot, de slechten alleen spreken kwaad. Zijn handen aan iemand niet willen vuilmaken. Z. Hand.

VUILMANDE, z. nw., vr.. = Mand waar men de vuilnis in gaart. S.

Spr. : Iets in de vuilmande smijten, er niet meer over spreken , er niet meer van gewagen.

VUILPOES, z. nw., vr.. = Vuil wijf, vrouw die in alles slordig is.

VUILPOT, z. nw., m.. — Z. Vuilaard. S.

VUILSKAR, z. nw., vr.. — Z. Vuilkar.

VUILSPUT, z. nw., m.. — Z. Moosput.

VUILZAK , z. nw., m.. — Z. Vuilaard.

VUIST, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Patatten gelijk vuisten, zeer groot. In zijn ruist lachen, bedektelijk. Veur de vuist spreken, onvoorbereid. Recht veur de vuist, openhertig.

— = (Boer) Maat van 't vlas. Het vlas staat al drij vuisten hoog.

VUISTEN, werkw., onov. (hebben). — iMarmelspel) De vuist in het schieten vooruitsteken.

VUISTER, z. nw., vr.. = Venster. Doet de vuister toe, het trekt hier.

— Komt in het raadsel op de noot :

Een schuurken vol graan En daar zijn geen deurkens of vuisterkens aan.

Ook in dat van den vingerhoed :

Grooter als een luis.

Kleiner als een muis,

En daar zijn meer vuisters in Als in een keuningshuis.

Onk meister fin venster.

Sluiten