Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komst. De eerste gasten zijn gewoonlijk de wellekomste.

Ook wille kom.

Spr. : Zoo wellekom zijn als de eerste dag van den Vasten, als een hond in een kegelspel.

WELLING, z. nw., vr.. — (Potbakk.) Fijngenepen potaarde die gemengd wordt met het water en het lood dat dienen moet om de potten te looden. De welling belet te grooten deele dat het lood te veel in het water zakke.

Bij D. walling.

WELP. z. nw., vr.. — In de welp komen. Z. Bollen.

WELSTAANSWIL. — Om welstaanswil, welstaanshalve. T.

Bij R. welstaans en uit welstaans.

WELSTELLEND, bijv. nw.. = Welhebbend, bemiddeld. D. De ouders van de vrouw zijn welstellende menschen.

WELWETER, z. nw., in.. - Neuswijze, betweter. D. S.

WELWIJS (klemt, op wijs), bijv. nw.. — Welwijs zijn . al zijn verstand hebben. Die mensch is niet welwijs hij zal naar 't zothuis moeten.

Enkel ontkennend en vragend gebezigd.

WENDEN (nd = nn), werkw., overg.. - (Boer) Eene tweede maal ploegen. De boeren wenden gewoonlijk een veertien dagen na het stoppelen, 't Land wenden. Peeën wenden.

Ook winden.

Bij V. : omspitten (gewest).

WENS(CH)EN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Het iemand wenschen, hem groeten om afscheid te nemen. C. D. R. Mannen, ik ga het u wenschen.

WEPS, z. nw., vr.. = Wesp. C.

WEPS. z. nw., m.. = Esp.

WEPSEN , bijv. nw.. = Van espenhout.

WEPSENSTRAA.L, z . nw., m.. = Wespenangel.

— = Steek van den wespenangel.

WER, z. nw., vr.. — War. Heel de streng garen is in de wer.

WERELD (zware e), z. nw., m. (niet vr.) — Z. Wdb..

Bij C. en D. vr. en m..

Raadsel op het doopsel van Jezus :

't Was in den wereld En 't was in den wereld niet,

De knecht gaf het aan zijnen meester En hij had het zelf niet.

Raadsel op de zon :

't Is in den wereld En 't is in den wereld niet,

En dat het in den wereld niet waar, De wereld en zou niet kunnen bestaan.

Spr. ; Meent gij dat ik de appels heb van 's werelds Heer ? in overvloed , oneindig veel. Z. Heer. Zoo groot als de wereld. God en heel de wereld, ieder, alles. De wereld is op tenen dag niet geschapen, heb geduld. Zij eten om het goed van den wereld te eten, zeer veel. Ik zou den wereld uitloopen van verdriet. van schaamte , enz.. Van den wereld niet meer weten, van eenen dronkaard of eenen bewustelooze. Geenen duit in heel zijnen wereld hebben, volstrekt niet3. Naar den anderen wereld zijn , gestorven. De wereld staat tegen zijnen dank, zegl. men van iemand die er barsch en ontevreden uitziet. Achter mij vergaat de wereld, spreuk der zorgeloozen en verkwisters. Een lawijt van den anderen wereld, een groot, een duivelsch gerucht. De wereld is een verkensbak : die meest sloebert, heeft meest. Dat is kien de verkeerde wereld, de zaken gaan hier verkeerd. Zijnen wereld kennen, beleefd zijn. Iets doen of laten veur de eer van den wereld, welstaanshalve.

— Van den wereld dient tot versterking. Dat doe ik veur geen geld van den wereld. Dat is de grootste deugniet van heel den wereld.

— Wel op den wereld toch ! uitroep van verbazing , van misnoegdheid en ongeduld. D. Wel op den wereld toch, die kleine jongen loopt ook al met een sigaar in zijnen mond.

WEREN (zware «), werkw.. overg.. — Z. Wdb.. Weert de vliegen van 't vleesch. Ik zal mij weren tegen de vijand. Ge moet u weren om de eerste van de klas te zijn.

— U voor iemand weren, krachtig iemands belangen voorstaan.

— = Moeten betalen , opbrengen. Ik moet ieder jaar dertig frank lasten weren. Veel intresten weren.

WERF. z. nw., m.. = (Boer) Stok waar,de pik aan vast is. D. S. R.

WERF. z. nw.,o.. ■= Maal, keer.

Enkel gebruikt in openbare verkoopingen. De oproeper roept drijmaal het laatste bod op, er beurtelings bijvoegende: eerste werf, tweede werf, derde werf. C.

WERK. z. nw., o.. — Z. Wdb..

— Werk van iets of iemand maken, op prijs stellen , er tijd aan besteden. Z. V. en C. D. K. magnifacere. Uw haar ligt gewoonlijk niet goed : ge maakt er 's morgens te weinig werk af.

— Zijn werk van iets maken, iets met zorg verrichten ; iets aanvangen , vooral om het te voltrekken. C. Dat blad is schoon geschreven , want ik heb er mijn werk van gemaakt. Ge zegt al zoolang dat ge ons deur zult verven , maak er uw werk nu eens af.

— Verre van de[n) werk{e) zijn, nog verre van zijn doel verwijderd zijn. S.

— Van de(n) werk(e) kijken, daar zien waar 't noch noodig, noch nuttig is. S. Als ge nog van den werk blijft kijken, zult ge nog tusschen den riem van 't machine geraken.

Sluiten