Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WINKELBROOD, z. nw.. o.. — Z. Bakkersbrood.

WINKELEN, werkw., onov., eenp. (hebben). = Tot winkel dienen , wel gelegen zijn om winkel te houden, sprek. van een huis. D. Op den hoek van de straat winkelt het dikwijls goed.

WINKELHAAK, bijw.. = Rechthoeken makende. Hij liep winkelhaak rond het huis, rond den akker.

WINKELHAAKSWEG, bijw.. — Winkelhaaksweg zien, scheel zien.

WINKELKAS, z. nw., vr.. = Kleine blikken doos, van voren met glas , die men in de winkels gebruikt om de eene of de andere waar in te zetten.

WINKELSCHEPPER, z. nw., m.. = Blikken of koperen schepperken dat men gebruikt om bloem enz., mee te scheppen.

WINKEN, werkw., overg.. = Wenken. D. K. nuere. De reizer winkte den veerman om overgezet te worden.

— = Dorschen, schertsend. Ik ga winken. Ziet gij hem ginder winken en er komt niemand.

WINKETING, z. nw., vr.. = (Meulen) Keting der winde, waardoor de meulen verzet wordt.

WINNEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Winnen en verliezen zitten in eenen zak. Zoo gewonnen, zoo geronnen. Met het fluitje gewonnen, met het trotnmelken verteerd.

— = Kweeken, telen. C. K. colere, generare. O. Ik win schoone patatten op dien akker. Kinderen winnen.

Gep. woord. : Hij is te Sint-Niklaas gewonnen en geboren.

— onov. [hebben). = Aan de beterhand zijn. C. R. De zieke heeft sedert eenige dagen veel gewonnen.

— Op iets winnen, voordeel doen, vooral bij eenen verkoop. Ik heb op het peerd dat ik verkocht heb, twee honderd frank gewonnen.

— Dat is gewonnen, dat is 't beste, voordeeligste. C. Vroeg gaan slapen en vroeg opstaan, dat is gewonnen. U geen ruziestokers aantrekken, dat is veruit gewonnen.

— Gewonnen zijn, overwinnaar zijn in 't spel. C. Ik deed drij spelen en drij keeren achtereen was ik gewonnen.

WINNEWAN, z. nw., m.. — Z. Winwan.

WINNEWANNEN. werkw.. overg.. = (Boer) Met den winwan werken.

WINSTOK, z. nw., m.. = (Wever) Lange stok dienende om den garenboom te doen draaien.

WINTELEN , werkw., overg.. = Wentelen. O.

WINTER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : De Winter scheedt van den Zomer, zegt men,

wanneer het in 't begin der Lente voor den eersten keer dondert.

WINTERFRAK, z. nw., m. en vr.. = Winterjas.

WINTERJONG, z. nw., o.. — Z. Doddejas. C.

WINTERKEUNINKSKEN. z. nw., o.. — Z. Duimken.

WINTERKOORN, z. nw., o.. — Z. Snijkoom. C.

WINTERMUSCH, z. nw., vr.. — Z. Blauwietak.

WINTERNAT, z. nw., o.. = Koude regen, gelijk er veel in den Winter valt.

WINTERPHLOX, z. nw., vr.. — Z. Hoe hooger hoe sohooner.

WINTERPLUIMEN, z. nw., vr., meerv.. = (Kruidk.) Sedum maximum, fam. Crassul..

WINTERPORSELEIN , z. nw., m.. — Z. Marias telloorken.

WINTERSTAL. z. nw., m.. = (Boer) Stal waar de beesten des Winters verblijven.

WINTERSTOFFELIER , z. nw., m.. = (Kruidk.) Mathiola incana, giroflée d'hiver, girofle'e desfenêtres, fam. Crucif..

WINTERZEIL, z. nw., o.. = (Schipp.) Bruin zeil dat des Winters op de jachten gebruikt wordt.

WINWAN, z. nw., m.. = (Boer) Wanmeulen dienende om 't graan te zuiveren.

Ook ivinnewan.

WIP, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Op (niet in) 'nen ivip, op 'nen wip en 'nen heer, op eenen oogenblik.

— = Steert, in 't raadsel op de koe. Z. Tuinenbreker.

— Z. Gaaiwip. C. S.

Zuidned. bij V..

Spr. : Zoolang de vogel op de wip staat, kan er ieder naar schieten. Z. Vogel.

WIPKARRE, z. nw., vr.. — Z. Kapkarre. D.

WIPKODDE, z. nw., vr.. — Z. Koevoet.

WIPPER, z. nw., m.. — Spotnaam, lange, magere persoon. C.

WIPPERDEPIPPER. z. nw., m.. — Z. Hieperdepieper.

"WIPSCHIETING, z. nw., vr.. = Het schieten naar de wip. 't Is wipschieting vandaag.

WIPSTEERT, z. nw., m.. — Z. Koevoet. V..

WIPSTEERT. z. nw., m.. — Z. Mienegars.

WIPTE, z. nw., vr.. — Z. Gaativip.

WIPTE, z. nw., vr.. — Z. Wijp.

WIRRELDEWARREL, bijw.. = Verward, in wanorde, in de war. Het vlas lag wirreldewarrel op den akker.

Sluiten