Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATTEN, werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. I.

— (zijn) — Vochtig worden. Ik heb een ziltige plaats op mijnen vloer en , als die nat , is er regen te verwachten.

Z. Verdam.

NATTIGEN, werkw., onov. (zijn). = Vochtig worden. Zijn oogen nattigen.

NAZZER, bijv. nw.. — Z. Nasscher.

— op, naar. = Begeerig naar.

NAZZERHEID, z. nw., vr.. — Z. Nasscherheid.

NECHT, z. nw., m.. — Hecht D.

NEENS. — Neen ^'samengetrokken. D.

NEERHEBBEN. NEERHEMMEN. werkw., overg.. = Neergebogen houden. D. Eens dat ik den takneerheb, zult ge gemakkelijk de peren kunnen afplukken.

NEGENVENTJE, z. nw., o.. —Z. Negenman , I.

NEGENWEEKSKEN , z. nw.,o.. = Witte aardappel die zeer vroeg rijp is.

Bij D. negenweker ; bij C. ncgenweehschen ; bij S. negenweken, negenweehsche en negenwekenmans ; bij R. negenweekpatat en negenweken-patat.

NEMEN, werkw., overg.. — Z. I.

— Zoo genomen, verondersteld, genomen. V.

NERING (zware e), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Als de kinderen geld hebben, hebben de kramers nering.

NEST , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Allemaal nesten, zei de hond, en hij jongerde in den baas zijnen hoed, dat geloof ik niet, dat is eene zaak die niet juist is.

NESTHAAR, z. nw., o.. — Z. Duvelshaar, I. V. S.

NEUK, z. nw., vr.. — Stamp , stoot. C. D. Ik zal u een neuk geven.

NEUSLEEST, z. nw., m„ = (Schrijnw.) Kroonlijst , niet alleen aan gebouwen zonder kornis, maar ook b. v., aan kassen.

NIEVENEUS, z. nw., m.. = Nieuwsgierige, spotnaam. Gij zijt een nieveneus , ge zoudt alles willen weten.

NIJPEN, werkw., onov.. — Z. Wdb..

Spr. : Dat is genepen , zei de bult, en hij zat met zijn kas tusschen de deur, dat is een flink antwoord , dat zijn nagels met koppen.

NIP, bijw.. — Z. I.

— (Ploeg) Te nip loopen, het tegendeel van te gier. Z. Gier.

NIPPEN, z. nw., o.. = Het kantelen, omkeeren. De plank staat op het nippen en gereed om te vallen.

NISCH, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

— Vochtig, nattig. K. madidus. De patatten zijn te nisch , als er te veel water in is. »

NOEMIE, z. nw., vr.. — Z. Namie.

NOESCH , bijv. nw.. — Z. I.

— Noesche haak. Z. -Zweehaak.

NOK, z. nw., vr.. = (Meul.) Pin van den staak die in de maan van den steenbalk komt. D.

NONBAAN, z. nw., vr.. = Effen plaats waar de kinderen nonnen.

NONNEKEN, z. nw., o.. — Ih heb mijn nonneken verloren. Meiskensspel. De meiskens gaan tegen den muur staan ; daar komt eene al weenende gegaan. Een der kinderen dat van voren staat, vraagt haar : « Vrouwken, waarom schreede ?»

— « Omdat ik al mijn nonnekens verloren heb. »

— « Waaraan kende ze ?»

— « Aan de kouskens. »

— « Welke kouskens heeft dat kindeken aan ?

Ze legt heure hand op het hoofd van een meisken en raadt wat kouskens ze aanheeft. Raadt ze juist, dan mag het meisken met haar meegaan.

NONNEKENSSCHOOL, z. nw., vr.. = School door kloosterzusters gehouden.

NOOD, z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Nood doet oude wijven loopen.

NOODIG. bijv. nw.. — Z. I.

— Noodig zijn met een verleden deelw. geldt voor moeten met de onbep. wijze van het lijdend werkw. Het vlas is noodig opgeraapt, moet opgeraapt worden.

NOOIT VOLDAAN, z. nw., m.. = Iemand die nooit voldaan of tevreden is. D.

NOOT, z. nw., vr . — Z. I.

Spr.: Die noten wilt smaken, moet noten kraken, zonder moeite geen voordeel.

N0(0)TSTIJL, z. nw., m.. = (Timm.) Deel van 't raam waar de scharnieren aan vast zijn. In een raam dat dubbel opendraait, zijn twee nootstijlen.

NOTENKRAKER, z. nw., m.. — Z. Wdb .

— = Kin en lippen van iemand wiens tanden uitgevallen zijn en die zoo de lippen dicht bij de kin heeft.

Sluiten