Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, vechten. De straatjongens hebben gisteren weer gerankoend.

Z. Ra 11 kolen, bij O.

KATTIG, bijw.. = Vuil, kaal. C. S. Zijn haar is rattig afgedaan. Dat staat rattig aan zijnen nek.

RAZEN, werkw., onov. {hebben).,— Z. I.

— Razende vloed, vloed die zeer hevig loopt en een eigenaardig gerucht laat hooren. Er .loopt een razende vloed.

RECHTE. z. nw., vr.. — Z I.

— = Richting. Kemseke ligt in de rechte van SintGillis.

RECHTEN . werkw., overg.. — Z. I.

— wederk.. = Zich krachtdadig verdedigen. Ik zal hem eens zeggen dat hij die erfenis met listen verkregen heeft, dan zal hij hem rechten.

Bij R. richten.

RECHTSCH , bijv. nw.. — Z. I.

— (Boer) Rechtsche ploeg, ploeg dien men, bij 't rijden , met de rechterhand vast houdt. De rechtsche ploeg keert den grond van rechts naar links; de slinksche ploeg , dien men met de linkerhand vasthoudt , keert de schillen van links naar rechts.

RECHTUIT, bijw. en bijv. nw.. — Z. I.

— z. nw., m. en vr.. = Die rechtzinnig spreekt of handelt. Jan is een rechtuit. Meent gij dat Mie een rechtuit is ?

REELATJE (scherpe e), z. nw., vr.. = (Timm.) Ieder der beide latjes die men bij het reeden gebruikt om te zien of het stuk hout van scheelte is.

REEP (scherpe e), z nw., m.. = Ruif. C. S. T. R. Cl.

REGEN. z. nw., m.. — Z. I.

Op den regen wordt er gezeid :

In den Zomer met streken ,

In den Winter met weken.

REGENACHTIG, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— = Regen voorspellend. Veel spreeuwen samen op de boomen is regenachtig.

RENNE, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Z. Rijn, I.

RETS , z. nw., vr.. = (Blokm.) Rits

RETSEN . werkw., overg.. — Blokm.) De blokken retsen, ze met de rits bewerken , er bloemen op trekken.

RIDDERÊ&H, bijv. nw.. — Riddersche nacht, nacht waarin veel gedronken en geroepen wordt.

RIEM , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. ; Keur van riemen hebben , vrij zijn in de keus der middelen.

RIETEN KL AMPER. z. nw., m.. = (Kamsl.) Hout of gebogen ijzer tot steun dienende aan het riet, wanneer het moet verlengd worden.

RIETJE , z. nw., o.. — Z. I.

— = Keel, in de spreuk : ge zult uw rietje doen borsten, als iemand hard roept.

RIETKEE(R)S (zware e), z. nw., vr.. — Z. Polderkeers, I.

RIETSTELDER, z. nw., m.. = (Kamsl.) Langwerpig stuk hout op een scherpen hoek eindigende en dienende om de hoogte van de rieten vast te stellen.

Ook stelder.

RIETTiftlG, z. nw., vr.. = (Kamsl.) Gewoon tangsken dienende om de rieten uit te trekken.

RIFT, z. nw., vr.. = Reef, streep. De hovenier zaait zijn schorseneden op riftjes.

RIJNEST. z. nw., o.. — Z. I.

— Wordt ook van dieren gezeid. Mijn duif is een rijnest, ze kruipt alle koten binnen

RIJP. bijv. nw.. — Z. I.

— (Biem.) Bekwaam om te bewaren, om goed te blijven. De heuning is nog niet rijp.

RIJS. z. nw., m.. — Z. I. 2»

— Rijs in 't zaksken. rijst die men in een zaksken tot koek koken laat. C.'t Is een aangename feestspijs.

RING, z. nw., m.. — Z. I.

— = (Meul.) Ringhout, welk woord ook gebezigd wordt.

RINKETTING, z. nw., m . = Nogal dikke, blozende late appel.

RIPPER z. nw., nr. — Z. I.

— Scheldnaam op manspersonen. Magere ripper.

ROCHTINGEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I.

— = (Boer) Het land bereiden, ploegen en eggen, om er rochting op te zaaien. S.

ROEGEWANTE, z. nw., o.. = (Meul.) De vier wieken samen.

ROEPER, z. nw., m.. — Z. I.

— Zijnen roeper opsteken , luide schreeuwen.

ROERKUIP, z. nw., vr.. — Z. Werkkuip, I.

ROKELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I.

— overg.. — De blokken rokelen , er kolen in leggen om ze warm te maken. D.

ROLLEBOLLEN, werkw., overg., onsch.. —Z. Wdb..

Spr. : Ons lieve Heer mag mij rollebollen in 'nen papieren zak, als 't niet waar is, vorm van eed.

ROMMEDOM , voorz. en bijw.. — Z. I.

— = Omtrent, ongeveer. Hij heeft rommedom dertig frank veur dien boom betaald. '

ROMMELEN, werkw., onov. (zijn). = Mattenen, kappelen, van de melk. De melk is gerommeld.

Sluiten