Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIENDSCHAP, z. nw., vr. — -|- I.ees Vriendschaf.

VIER. z. nw., o.. — Z. I.

Spr. : Vier spongen, zeer boos zijn.

— = (Ziekte) Ontsteking , inflamation gaagréneuse. C.

— Vier in de darmen, vier in 't lijf of in den buik, péritonite, enterite suraigue.

— = (Vlas1 Ziekte. Z. Roode hond.

— — (Schrijnw.) Roode plekken in het hout, waardoor het verrot. C.

VIERBAAK, z. nw., m.. = Lange roode streep in de lucht. Als er des morgens of des avonds een vierbaak verschijnt, dan volgt er, volgens de boeren, zacht weder.

VIERBALKER. z. nw., m.. = (Boer) Eg met vier dwarsbalken.

VIERDRAAD. z. nw., m.. = (Schipp.) Dunne touw van vier draden.

VIERENDEELEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Wordt gebruikt in bedreigingen en krachtige bevestigingen. Wacht maar, 'k zal u vierendeelen, als ik u in mijn handen krijg. Ik laat mij vierendeelen , als 't niet waar is wat ik zeg.

VIERKANT, bijv. nw. en bijw.. —Z. I.

Spr. ; Zorgen dat alle akkers vierkant blijven, alles deftig schikken.

VIERLING, z. uw., Inhoudsmaat, vierde

van een vat. Bestelt mij 'nen vierling kolen.

Bij D. vierdeling.;'*'' '.v-^ & ■ -- i'v';

VIERSCHAAR, z. nw., vr..—X I. ,

Spr. : Veur de viersehaSr mrnen. te vöo'fschijn, voor de pin, voor den beetel.

VIERWEEG (zachte' e), z. nw., vr.. — Kruisstraat.

VIJFBALKER, z. nw., m.. = (Boer) Egge met vijf dwarsbalken.

VIJFDRAAD, z. nw., m.. = (Schipp.) Dunne touw van vijf draden.

VIJFKNIEËR, z. nw., m.. = (Schipp.) Kleine boot met scherpen kop en een spriettuig.

VIJFTIENDER. z. nw., m.. = (Meul.) Steen die daaromtrent 1.45 m. breed is.

VIJL , z. nw., vr.. — Z. Wdb.,

— Spotnaam , trage spreker of spreekster , vervelende mensch.

VINGELING, z. nw., m.. — Z. I.

— = Wijsvinger. Z. Duimeling.

VINGELINGEiNWANT, z. nw., vr.. = Vingerhandschoen , want met vingerlingen. C.

VINGER , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. ; Van 'neti vinger een hand maken , overdrijven.

VINK, z. nw., vr. (niet m.). — Z. I.

— (Tritsspel) Vinken en verhens, worp van twee vijven en twee vieren.

VINKAKKER, z. nw., m.. = Akker waarop een vinkaard is.

VINKEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

— [op] = Heimelijk gadeslaan om te bemachtigen. Hij vinkt al lang op dat meisken.

VINKMA DE , z.nw., vr.. = Glimworm.

VINO (klemt, op 0), z. nw., vr.. —• Veneranda verkort.

VITSELEN, werkw., onov. (zijn). = Loopen, vluchten. Ik wilde hem tegenhouden, maar hij vitselde tusschen ons.

VLAAG , z. nw., vr.. — Z. I.

— Schimpnaam, zot, wild vrouwspersoon.

VLASDANK, z. nw., m.. — levers 'nen vlasdank halen. Z. Plasdank.

VLASKAM, z. nw., m.. =-= Groote kam van palmhout. Met den vlaskam kamt men den bessem van 't vlas wat af.

VLASMEI, z. nw., m.. = Elzen tak dien men in 't vlas steekt, als 't verkocht is.

VLASVEUR, VLASVOOR, z. nw, vr.. = (Boer).Tamelijk diepe voor.

VLECHT, z. nw., vr.. — (Kantwerk.) Een vlecht opmaken, vier bouten vier keeren kruisen. D. _

VLEGEL, z. nw., m.. — Z. 1.

VLEITEN. werkw., overg!. — Beer' vlnltn , é^n groot schip beer wat ontlasten om het iri ner water te laten komen.

VLEUG. z. nw., vr.. — Z. I.

— = (Muld.) Wind. 't Zal goed weer zijn vandaag, daar zullen vleugen komen.

VLEUGWIND, z. nw., m.. — Z. Stuikwind, I.

VLEUK, z. nw., vr.. = Vlerk , vleugel.

VLIEG , z. nw., vr.. — Z. I.

— Iemand vlieg heeten, hem buitensmijten , wegzenden. Als mijn knecht zoo iets moest doen, zou 'k hem vlieg heeten.

VLIEGEN, werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. I.

— Vliegende kanonniers, artillerie légere.

VLIEM, z. nw., vr., meest in 't meerv.. = Pellen die van het droge stroo afvallen. K. arista.

Bij C. vlim.

VLIEZEN, werkw., overg.. — (Vleeschh.) De snaren vliezen , er het vlies van wegnemen om ze dunner te maken. O. vliezen — scheren.

Bij D. vlitschen.

Sluiten