Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belghen, berghen, bernen, (be-) (per)-derven, gelden, helpen, scelden, smelten, sterven, swelghen, swemmen, swellen, verswelten i, 83, 20; vechten, vlechten, werden, werpen.

De klinker van den in en 3° pers. enkv. praet. ind. is -a :

starf 1, 251, 9; wart 1, 2, 10; warp 2, 101, 8. De klinker van het praet. opt. 0 :

vochten \, 180,2; worden i, 213, 14; wi worden 1, 180, 21; wi worden (subj.) 1, 123, 3; hi worde 1, 134, rg; verworpen 2, 101, 8; holpe (3 subj.) 2, 174, 17; storve hi 3, 107, 20; wordi (subj.) 3, 131, 6. Verleden deelwoorden :

verbolghen 2, 10, 17; verborgen 1, 44, 16; verdorvene (adj.) 2, 45, 3; ghesmolten, r, 98, 15; gestorven 1, 147, 20; verstorven 2, 186, 5; verzwolgen 3, 104, 18•,gheswollen 2, 157, 17 ; ghevochten 2, 96, 24; worden 1, 34, 10; utegeworpen r, 181, 3; onderworpen 1, 95, 7; verworpe7i 1, 76, 24.

De praeterita met a, voor r + mkl. konden hun a met ae of -e verwisselen :

i^evens starf 1, 251,9; 270,5; 2, 113, 21; 178, 6; vindt men staerf 2, 103, 19: sterf 3, 11, 15.

Verghelden heeft een verl. deelw. vergouden 3, 138, 10; uit *vergolden.

De e van helpen wisselt af met u :

Naast helpt 3, 65, 3; helpe 3, 234, 3; 30, 6; helpen 2, 16, 4; vinden we : hulpt 2, 60, 7; hulpen (inf.) 2, 60, 19; 82; 19; ghehulpen (inf.) 2, 94, 25; 3, 178, 10; hulpen 2, ig3, xo; hulpe 2, 174, 18.

Men vindt ook u in 't praet. opt. in pl. v. o : hulpe 3, 45, 17.

Bij de werkw. werden en werpen is de -o van 't praet. mv. eenige malen doorgedrongen in het praes. hetgeen bij werden reeds het geval is in 't Onfr.

Sluiten