Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Redupliceerende Werkwoorden.

Tot deze klasse behooren de werkwoorden, beantwoordende aan redupliceerende werkw. in het Ogerm.; met ie in het praet. ind. en opt., welke ontstaan is door het samenvallen der e van de oude reduplicatiesilbe met den klinker der wortellettergreep, na syncope der beginletter(s) van den stam.

De werkwoorden dezer klas zijn :

a) Met oorspr. korte a : bannen, spannen, vallen, wallen; van vallen en houden (haldan) alleen vinden we vormen in 't praet.:

viel 2, 16, 22; 70, 27; viele 1, 148, 9: vielen 1, 252, 18; houden, met ou uit ol, vroeger al, (haldan)behielt 3, 8, 26; hielde 2,193, 14; behielden 1, 4, 1; hi houtet 3, 42, 21; behout 3, 44, 14; behelde (opt.) 3, 27, 24.

b) Met oorspr. lange a : braden, blazen, laten, raden, slapen ; alleen van blazen, laten en slapen vinden we vormen in 't praet. : blies 1, 266, 19; versliep 3, 77, 11; liet 1, 206, 3; hi liete (opt.) 3, 90, 18; lieten 3, 39, 18; ghebraden 3, 150. 22.

c) Met oorspr. ai : sceden; praet. sciet 1, 249, 1 ; scieden 2, 144, 20; heten; praet. hiet 2, 144, 20; i, 176, 19.

d) Met oorspr. au : loepen, houwen, stoten ; praet. liep 1, 9, 18; verhieu 1, 54, 11; van stoten wordt geen praet. aangetroffen.

e) Met oorspr. 0 : vloeken, alleen in den nmv. vertegenwoordigd.

f) * gangen, hangen, vangen; praet. ginc i, 139, 6; vergheet 3,74.3; ganc (imper.) 3, 179, 19; 185, 1; gingen 1, 78, 5; ginge 1, 191, 10; du ghinghes 3, 52, 11; beghinghen 2, 103, 7; hinc 1, 74, 8; hingen 1, 74, 18; ontfinc 1, 5, 3; vinc 2, 65, 5; bevine 1, 108, 3; vervine 1, 152, 7.

Sluiten