Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ie Pers. 2e Pers.

Meerv.

N wi 5, 220, 6; i G ons 4, 21, 23; f enz.

öwj 1, 41, 24; \ passim D ons 4, 22, 2; [ A 3, 61,8; '

De buiging van den ien en 2en pers. enkv. stemt volkomen met de Os. ie, min, mi, mi; thü,

overeen, uitgenomen in den gen., die het genitief-suffix -s aangenomen heeft.

Ic komt voor met enclfcie van het pers. voornw. van den 3"" pers. enkv. zonder h. ics, iet, of met de ontkenning en. In dit laatste geval vertoont zich samentrekking tot in, en: het is en weet waer, 3, 23, 22.

De genitief mv. is ons uit onses en uus, uwes analogievormen naar mijns, dijns, in stede van het Oostelijk en meer oorspr. Mnl. ons er, uwer (Vgl. Got. unsara, izwara, Os. user, euwar, Ohd. unsêr, iuwêr, Serv. ons er (Vgl. Leviticus, Vorm- en klankleer). Limb. Serm. ons er, ure (Vgl. Kern. Vorm- en Klankl. der —).

Ons komt alleen in samengetrokken vorm voor; uwes nog zeer dikwijls, vooraf in verbinding met self.

Omtrent spelling is op te merken, dat men nevens mi, wi vaak my, wy aantreft.

Voor die voornw. vindt men ook nog, maar zelden, de spelling met -ie.

die 4, 54, 17;

wie 4, 7, 20; 11, 5; 1, 174, 9; 4, 216, 15; 11, 5.

Het voornw. du vertoont zich als encliticum bij nw, voegwoorden, bijwoorden, voornaamwoorden.

gi 5, 220, 3.

uwesx, 104, 8; uus 5, 55, 26 u 5, 226, 5.

u 3, 5, 17.

Sluiten