Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mann. Vrouw. Onz. Meerv.

Os. Os. Os. Os.

Enkv. N. de (thê ) de (* ) dat (that ) de (thê )

G. des (thes ) der (thero) des (thes) der (thero)

D. den (them) der (theru) den (them) den (thêm )

A. den (then) de (the ) dat (that ) de (thê )

Mann. Vrouw. Onz. Meerv.

Os. Os. Os. Os.

Enkv. N. die (thie ) die (thiu) * (* ) die (thie )

G. dies (* ) dier (* ) dies (r ) dier (* )

D. dien (thiem ) dier (* ) dien (thiem) dien (thiem)

A. dien (thiena) die (thea) * (* ) die (* )

Vergelijkt men de buiging bij Ruusbroec met die in het Os. dan ziet men, dat ze, evenals in het gewoon Mnl. overal de vormen met -ie naast die met -e vertoont, uitgenomen in den nom.-acc. onz. enkv.; hetgeen in het Os. niet het geval is.

In den dat. m. en onz. enkv. en den dat. mv. den, dien, heeft men vormen met verzwakte -n uit -m (thêm, thiem); vormen, die trouwens reeds in het Os. aanwezig waren : thên, dat. m. en onz enkv. en dat. mv. Vgl. Behaghel und Gallée, Alts. Gram. Laut- u. Flexionslehre, § 243.

Als lidw. komen de vormen met -e veel talrijker voor dan die met -ie. Op blz. 1-25, 1, treft men ± 230 vormen met -e aan, tegen ± 140 vormen met -ie. Onder deze laatste komt de gen. dies betrekkelijk zelden voor; op blz. 1-25, slechts 6 maal.

De vormen met -e en met -ie worden niet heel en al willekeurig gebezigd. Zoo kan men opmerken, dat die steeds komt voor een woord, dat met een klinker begint :

die uteganc 1, 2, 12; die ere, 1, 5, 1; die ander helecht 1, 5, 3; die oude wet 1, 5> 2^> Apostelen

Sluiten