Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7) Vergelijkende : dan 3, 8, 6; alsoe... als 3, 9, 3; also 3, 10,8; als 3, 10, 26; alsoft 3, 12, 25; ghelike of 3, 17, 16; alsoft 3, 18, 14; ghelyc dat... alsoc 3, 21, 8.

8) Verhoudinguitdrukkende : hoedanich dat... 3, 17,8; also... also 3, 17, 91; vele... also vele... 3, 20, 10.

9) Aaneenschakelende. 0) Verbindende : ende passim, oec 3, 14, 9; alleen... mer 3, 15, 10; 17, 18; wtfc/fc 3, 21, 1; b) uitsluitende : noch 3, 7, 19; 12, 24; weder... of 3, 21, 9; iewer... 0/3, 81, 22.

10) i° Zuivertegenstellende : mer, passim.

20 beperkende : nochtan 3, io, 15; 12, 17; doch 3, 12, 21;

3° scheidende : of 3, 8, 21; ofte 3, 14, 4; tsi 3, 57, 22; oftsi 3, 57, 20; 3, 57, id.; a/ro als 5, 14, 12;

20, 14.

Voorzetsels.

De door Ruusbroec gebezigde voorzetsels zijn : ane, achter, beneden, bi, binnen, boven, buten dore, eer, m, jegen, met, na, naer, neven, om, onder, op, over, overmids, seder, sint, sonder, toe (tot), tegen, tusschen, van, vore, ute, tote.

Tusschenwerpsels.

O 3, 18, 12; acharme 4,73, 19; O wi 2, 122, 18.

Sluiten