Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD.

Vervoeging.

Uitgangen van den tegenw. tijd, indicatief 6

optatief 12

imperatief 13

infinitief . 14

» > het sterke praeter. indicatief 16

»• * » optatief 16

» » » sterk verl. deelwoord .... 17

» » » zwakke praeter. indicatief 18

» » » » » optatief 19

» » » zwak verl. deelwoord 19

Wijzigingen in den wortelklinker der sterke werkwoorden . . 20

Redupliceerende werkwoorden 3'

Zwakke werkwoorden tegenw. tijd 32

» » praeter • 33

Werkwoorden op mi. 1. Verbum substantivum 37

2. Gaen en staen 38

3. Doen 39

4. Willen • 4°

Verbuiging.

Zelfstandige naamwoorden.

Sterke buiging; a-stammen ... 41

reine a-stammen 4l

Mann. en onz. ja-stammen . 48

* » » i- en u-stammen met lange wortellettergreep . 51

» » i- en u-stammen met korte •» 52 Vrouwelijke i- en u-stammen met lange » «53

» i-stammen met korte » . 55

Mann. en onz. n-stammen 5^

De vrouw, naamw. op -e in den nom. enkv 60

Stammen op 63

» » -nt 64

Consonnantische stammen .... . 64

Verbuiging der eigennamen • . 65

Sluiten