Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En u zei dat het er woest en eenzaam is! "

„Zeker, dat is het ook, en dat juist is mooi!"

Hiermede draaide oom zijn rug naar Aladdin, en ging voort met lezen, terwijl zijn neef nog een beetje stond te pruttelen en tegen te spreken.

Als de goede jongen eens had kunnen zien, hoe de oogen van den toovenaar fonkelden, toen hij zoo stond te brommen! Gelukkig — of eigenlijk ongelukkig voor Aladdin, kon deze er niets van bespeuren, en daar oomlief geen woord meer sprak, sloop onze vriend de kamer uit, om bij zijn moeder nog een weinig zijn hart uit te storten.

Pas was hij weg, of de toovenaar hief het hoofd op en schudde dreigend de vuist.

„Ik zal je daarginder wel leeren mij tegen te spreken,

kwajongen! Daar zul-je bidden en smeeken om genade

en ik zal er om lachen."

De toovenaar zei dat haast fluisterend, maar met zulk een nadruk, dat men er koud van geworden zou zijn. Een oogenblik bleef hij nog zitten, het fonkelend oog gericht op de deur, waardoor Aladdin verdwenen was. Toen schudde

hij onwillig het hoofd.

„Bah! me boos te maken over jongenspraatjes!.. .

Laat ik liever zien of alles in orde is."

Hij haalde uit een zorgvuldig gesloten kast een doosje te voorschijn, opende dit, rook even aan het poeder dat er zich in bevond, liet er het daglicht een oogenblik op spelen, en borg het toen zorgvuldig bij zich. Ook' zocht hij nog enkele andere dingen op, keek nog even of hij wat van waarde in de kast achterliet, en sloot haar vervolgens.

„Laten ze het plezier hebben," sprak hij grijnzend, „om haar open te breken! .... ze zullen er niet veel bijzondeis meer in vinden.... En van mij, evenmin als van dien jongen, zullen zij ooit een spoor ontdekken. Wie zal mij zoeken in het verre Afrika — en dien jongen in een graf, vlak bij zijn geboortestad?" ....

Sluiten