Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Houd-je mond," beet hij haar toe, „je brengt heel het paleis en zoometeen heel de stad in opschudding. Wat moeten de menschen er wel van denken I"

De Prinses meende bij zichzelve, dat de menschen er nog wel wat anders van zouden denken als zij vernamen dat hun Prinses door haar eigen vader vermoord was. Zij had de voorzichtigheid dit niet hardop te zeggen. Met veel voldoening zag ze, dat hij het zwaard opstak, en hoewel zij haar hart vasthield als zij bedacht wat er nog wel gebeuren zou, was het haar toch een steen van het hart toen zij den Koning boos haar vertrek zag verlaten, allerlei onverstaanbare bedreigingen mompelende.

Tot haar geluk deed hij nu, waarmee bij ons in het Westen niet alleen een Koning, maar ieder man zou beginnen: hij ging regelrecht naar de moeder van de Prinses, en zei tegen haar dat zij eens naar haar dochter moest gaan zien. We weten al, hoe weinig in die landen een vrouw in tel is, maar aan dezen machtigen Koning, die over het wel en wee van vele volkeren gebood, zien wij toch dat men overal op de wereld, men moge het willen of niet, bij de moeder terecht moet komen.

En, schreiend aan het liefdevolle moederhart, bekende de Prinses alles wat zij zelve had ondervonden, en insgelijks alles, wat zij van de ellende van haar jongen echtgenoot vernomen had.

Maar van den knappen, donkeren jongeling, die zoo eerbiedig haar hand met de beide lippen had aangeraakt, sprak zij zelfs tegen haar moeder niet.

Na afloop van dit onderhoud, waarbij de moeder door allerlei zoete woordjes het trillende hartje van haar kind tot vrede had trachten te brengen, ging zij naar den Koning en vertelde hem wel niet alles, wat zij gehoord had — neen, zij wist te verzwijgen wat den toorn van haar gemaal kon opwekken tegen haar kind of tegen diens echtgenoot; maar zij vertelde zooveel, dat de Koning al zijn toorn voelde

Sluiten