Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buiten de schaduw-vlakken onder de olmen, stond trillend de hette-schijn tusschen de broeiende tuinommuring. De Guineesche biggetjes, met fijne klaaggeluidjes, piepten ergens van onder een planken-reet in den grooten kippenloop, maar de kippen zaten roerloos in 't zand gekroeld. Toto, de Cypersche, als in zwijm opzij-gevallen, lag, de vier pooten van zich af gestrekt, voor zijn mand, en Ninouche was verdwenen. Niemand sprak er.

Zoo bleef het tijdenlang. Geen windje kwam langs een blad strijken en de huisgevel blaakte hel-pijnlijk aan de oogen.

Aristide, in zijn ééne dunne broek en jasje, voelde nog de hitte klammen aan zijn beenen, prikkelen op zijn borst, maakte een knoop aan den hals los. Célestin had het nooit warm.

Gestadig werkten ze beiden voort aan hunne ontwerpen; madame Legüenne trok vlijtig den draad door de witte stof.

j;Et votre petite dame, m'sieur Baroche ?" vroeg

na een poos de vrouwestem achter de rasterhaag.

— „Ze maakt 't best," zei Aristide.

— „Ze komt van middag beneden, bij ons zitten," schoot Célestin plotseling uit.

„Ah...!" zei verwonderd de vrouw, en haar

groote oogen staarden een wijle recht voor zich uit, als om de oplossing van een raadsel te zoeken.

„Tiens...!" zei ze dan nog, benepen. Een tijdje

later pakte ze haar naaigoed bijeen, en ging in huis.

Verder op den morgen hoorden de twee schilders uit haar raam, open achter de dichte persiennes, de vlaagjes klagelijk verhaal: „Oui, mada... me... alleen melk, en een eitje... zwak... al vijf jaar... de maag... U ziet er goed uit... frisch... een kleur... ik... mada... me... mager... kijk u eens..."

Sluiten