Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag, die deur op slot had gezeten. Dat was soms een plotselinge felle begeerte, een waanzin van wreede nieuwsgierigheid en despotische bemoeizucht.

Maar gewoonlijk gaf hem de waarneming van zijn betrekking alleen de zoete gewaarwording van gevleide ijdelheid en het bewustzijn van een zeker gewicht.

Hij, Emile Carpentier, die toen hij trouwde een kale slokker was met amper genoeg te eten voor zijn gezin, die zijn vrouw moest uit werken sturen, haar „porteuse de pain'? laten zijn en „femme de ménage," hij was nu een man, die wat te zeggen had. Hij kon permissie geven voor iets en iets verbieden; hij kon tegen een dokter en een sénateur zijn aanmerkingen maken als 't moest. De kruidenier van madame Gros kwam toch maar niet meer na twaalven, sinds hij er zich tegen gekant had; de werkvrouw van madame Giraud, op de vijfde, zorgde wel, dat ze met de „ordures" vóór achten naar beneden was, 's morgens; en de vrouw van den Duitschen professeur potte niet langer haar melkflesschen op, om ze met een dozijn tegelijk buiten te zetten, tot schande voor de propere gang... iederen avond stond de ééne flesch bescheiden om een hoekje, waar de melkjongen hem 's morgens voor een versche verwisselde. En dat waren maar kleinigheden uit de laatste week. Er kwamen nog heel andere dingen voor! Kon hij niet de menschen, die hem niet bevielen, ten slotte de huur opzeggen? Natuurlijk, de propriétaire had 't laatste woord, maar van wie anders moest die zijn inlichtingen hebben dan van hèm? En als hij dan iedere drie maanden de huur in ontvangst nam — alle huurders, tot de sénateur toe, kwamen bij hèm, in de loge,

Sluiten