Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lusteloos, als in uiterste afgematheid, roerde de lekkernijen niet aan, die de jongens haar meebrachten, sloeg bijna de oogen niet op. Eerst de binnenstroomende avondlucht scheen haar wat goed te doen... dan streek zij met een vaag vingergebaar zich 't verwarde haar van 't voorhoofd, liet zich de kussens opschudden, zat half daarin overeind. Met een bleek lief lachje zocht zij telkens Aristide wat op te monteren, doch praten vermoeide haar, even sloot zij de oogen, en al gauw viel zij in een woeligen slaap. Den ganschen langen dag was er geen klacht over haar lippen gekomen.

Maar den tweeden avond dat de jongens — 't was reeds donker buiten — op weg waren naar het restaurantje in de buurt, waar zij nu hun eten namen, kon Célestin zijn verontwaardiging niet langer bedwingen...: hij zou 'r vermoorden, ja... vermoorden zou hij 'r... Jozette had bij Thierry moeten blijven... die behandelde haar menschelijk... hij... hij zou 'r vermoorden met zijn egoïsme en zijn jaloezie...

Aristide, doodsbleek, zei niets terug; hij staarde maar vaag en verwezen voor zich uit.

En toen hij alleen was thuis gekomen, viel hij op zijn knieën voor de rustbank en schreide, zijn gezicht in haar arm:

— „Oh chérie... chérie...!"

— Hij was toch niet slecht voor haar?... zij waren toch wel gelukkig samen?... hij had toch gedaan wat hij kon...? lederen morgen waren zij toch gaan wandelen... en iederen avond...! kon hij nou nog iets voor haar doen...? hij wou alles voor haar doen... ze moest het maar zeggen..., maar o...! als ze dan ook maar zeggen wou, dat ze gelukkig waren samen... dat hij wel goed voor haar was..."

Een huis vol menschen. 9

Sluiten