Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scharlaken en wit, en haar margarieten stonden in vollen bloei...

Als ze toch eens ging, dacht ze dan weer, naar dat meisje... 't was een zieke...

Ze aarzelde ook wel, omdat haar bedeesde aard altijd tegen aanraking met vreemden opzag. Ze sloeg het mantilletje weer om, aarzelde nóg... Dan, opeens, was er als een scheut het besluit in haar hoofd, dat ze gaan moest, en zonder verder te overwegen of te verzinnen wat ze zeggen zou, was ze haar woonkamer al door, haar voordeur uit, en schuifelde door het donkere, benauwde gangetje, aan het eind waarvan een schemerige kier den weg wees — de dokter had de kamerdeur niet in het slot getrokken. En zoo verward was ze in haar eensklaps-dóórzetten, dat ze vergat te kloppen en pas tot bewustzijn kwam met de zachtjes opengeduwde deur in de hand:

— „Mag ik binnenkomen?"

Even maar had ze Jozette gezien, zooals die half opgericht op één elleboog, haar opgestuwd wangetje steunend in de handpalm, met pinkende wimpers moe voor zi,ch uit lag te staren, in 'n schichtige blijheidsbeweging het hoofd omwendde naar de openpiepende deur, verward dan een uitroepje had van overrompeldheid...

— „Si, si, entrez Madame," zei ze toen.

Er was een wonderlijke mengeling van schuwheid en tegenzin en vriendelijkheids-pogen in haar plots schor geworden stemmetje.

Ze kuchte even, en aan mademoiselle Villetard, die met vlammende kleurtjes op haar oude koontjes naderbij gekomen was, den stoel wijzend waarop Valency gezeten had, zei ze wat liever:

— „Gaat u zitten..."

Sluiten