Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen van den zoeten geur, die dan omlaag door de straat moest drijven...

Jozette, die van Montmartre kwam, hervond in dit zuidelijk kwartier al de van ouds bekende straatgeluiden uit het Noorden: het neuzelende klarinetje van den stoelenmatter achter zijn ezelkar, die overal hetzelfde vinnige jachtsignaal omhoog deed trilleren; het tragische wijsje, dat met zijn vibreerende tenor de krammer zong, die tegen half twaalf passeerde...; zij meende zelfs het oude mannetje met zijn „mouron pour les petits oiseaux..." te herkennen; en de glazenmaker, loopend in de zon-blikkering van zijn draagbak vol ruiten, stootte even kortafgebeten zijn „voici 1'vitrier" uit, als op Montmartre. Nieuw was haar geweest het dikbuikig kereltje, dat, de handen op zijn rug, langzaam langs het trottoir stappend, „t'neaux, t'neaux, t'neaux" deunde — ze hoorde in 't eerst niet eens, wat hij riep, — terwijl midden over het asphalt zijn paard de lange kar trok met soms één leeg wijnvat erop.

Spoedig was zij er thuis geraakt, kende zij ook alle wrakken der wijk, die hun ellende verkochten langs de straten; zij kende het figuurtje van den bedelaar in zijn zwart panen pak met één slappe mouw, en met zijn dichtgekroesden zwarten ringbaard; fel afgeteekend in de zon tegen den wit-grijsblakenden laboratorium-gevel, stond hij daar eiken Maandag en Vrijdag, geduldig, een half uur lang als 't moest, hun huis-pui beturend, tot de paar menschen, die gewoon waren hem te geven, hun sou uit het raam hadden gegooid; — zij kende de onderscheidene straatmuzikanten, die drie dagen in de week werden losgelaten: den manken matroos, die, onder de galmen van zijn lied, op zijn kromme beenen neer en omhoog hinkte met de uithalen mee

Een huis vol menschen. 10

Sluiten