Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betorende bouwsel van een lyceum — of de gevelsilhouet brak af tot den grond, en boven een ijzer-ribbeling of een muur was het groen-zonnige vak van een grooten tuin.

Zat Jozette met haar stoelleuning tegen het dwarshekje van de Giraud's, dan zag zij de lange, even buigende straat af, tot die zich verloor in een warrel van daken, waarover, in het hitte-grijs verschiet, de twee vaag-blauwe spitsen rezen der SainteClotilde... Had zij zich met den rug naar het hek der modistetjes gekeerd, dan zag zij de uitmonding der straat op het wijde Observatoire-plein, het verste kastanjeloof der alleeën en de uiterste water-stuiving van Carpeaux' fontein; recht vooruit was de ballongekroonde, kermis-kleurige tuinmuur van het Bal Bullier...

Maar zoo zat ze niet graag... ze had geen gelukkige herinneringen aan die plek.

Daar... ineens had ze dien muf-sterken geur in den neus van stof en muskus en poudre-de-riz, ze voelde die droogte weer van mond en oogen, de stekende staar-oogen die zouden willen schreien, en geen drinken helpt aan den mond die maar lacht, strak over de tanden —; ze ervoer die felle prikkeling weer over het hongerig lijf, dat danst en opgetogen is, gehaten en folterenden lust tegemoet... en o, de rillerigheid van dien killen nacht-tuin en het onbeschaamde glimmen van mannen-oogen beneden het wit balonnen-licht, dat in de klamme, hei-groene blader-grotten „de boomen onder de rokken schijnt," zooals een gluiperige dandy, die plotseling naast haar was komen zitten, 'r eens had ingefluisterd.

O, het ellendige dansen, op zoek naar den minnaar van één nacht, het eten van één dag;

Sluiten