Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „II vous flanque la, votre m'sieur?" had hij meelijdend-nieuwsgierig gevraagd.

Zij was opgesprongen, had haar bontje omgeslagen...

— „Monsieur a payé," zei de kastelein nog; zij was de deur al uit; zij wist het, hij was weg... zij zou hem niet wéér zien... zij begreep alles. Daarom moest ze naar Montmartre... vlak bij de straat, waar haar vader woonde... hij wou dat ze weer naar haar vader ging... met die veertig franken... ze moest weer naar huis gaan... voor veertig franken had hij haar afgekocht.

Als een krankzinnige was ze de lange rechte Rue de Clignancourt afgeloopen, al maar voort, al maar voort, tot bij de vestingwerken... ze was weer teruggeloopen, een andere straat in, en nog weer straten en pleinen, ze wist niet waar... ze was aan de Seine gekomen... Ze voelde het nog, dien wankelenden wil, waarmee ze langs de kade geslopen was in den vallenden avond, hoe ze ééns, met bevende beenen en bloed-bonzend lijf, een dier trappen was afgegaan en tot vlak bij het water... ze was te laf geweest. In een klein hotelletje daar, had ze geslapen, dien nacht. Zoo was zij in het Quartier Latin verzeild...

...Dan herinnerde zij zich een anderen avond, enkele maanden later, toen op den Boulevard St. Michel een jongen haar een briefje had afgegeven... dat was een briefje van haar oudsten broer geweest...

— „Oh! les bougres! les bougres!" had zij gescholden in zich zelf... ze wisten dus, waar zij was... ze wisten, wat zij deed, en ze lieten haar aan haar lot over... ze hadden haar niet gewaarschuwd, toen haar vader ziek was... ze hadden haar niet ge-

iroepen, toen haar vader stierf... „oh! les b'ougres!"

Sluiten