Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij veegde het met haar zakdoekje schoon, 't was een zakdoek met een rand van roode moesjes en dat naar een tuin vol bloemen rook...; gisteren avond, Jozette hief haar glas naar hem op, en lachte hem in de oogen: ,,op je nieuwe hoedje, Bouboule..."

Woest stoof Célestin overeind; hij gooide vijf sous op tafel en ging heen.

Een tijdje daarna liep hij in de Avenue Gabriel, achter het Elysée. Daar, onder het zware geboomte, was het bladstil en zoo dicht van schaduw of het geregend had. Célestin, zijn muts onder den arm, met de lavende lucht zóó aan zijn heeten, opgewonden kop, liep stapje voor stapje; nauw kraakte het kiezelige zand onder zijn voetdruk. Tusschen de stammen door, links, in de tuinen voor de Ambassadeurs en 't Alcazar, kleurde even wat fleurigs van bloemen tusschen heestergroen, en rechts, bezijden de laan, lag een laag wit huis, diep onder lommer, als een houtvesterswoning in een woud...

„Quelle fraicheur!... c'est la campagne!" hoorde Célestin fijn zingen in zijn hoofd: 't was Jozette's stem, en de woorden, zooals zij die gezegd had, dien middag in den tuin... Hij schudde driftig zijn lokken achterover, alsof hij nog vele gedachten meer verjagen wou.

Snel moest hij opzij gaan, want een ren-karretje, met tenger-knokig heffen en ploffen van paardepootjes en blinkend-gele wielering, kwam hem achterop gedraafd, sneed langs... een oogenblik, dan was de laan weer leeg.

Nabij de Avenue Marigny, in de bocht van het wijde gazon, dat daar tusschen de zwart-groene lanen gloeide onder den open hemel, stond, overhangen van een hoogen, teêren treurwilg, een water-bassin; een simpel bekken was het, van donker

Sluiten